Naar de inhoud

auditeren

auditie doen

auditeren

werkwoord

Betekenis

  1. auditie doen
  2. toehoorder zijn
  3. de economische en inhoudelijke bedrijfsvoering van een onderneming onderzoeken

Vervoeging van auditeren

auditerenhele werkwoord — auditeerdeverleden tijd enkelvoud — auditeerdenverleden tijd meervoud — geauditeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik auditeer auditeerde
jij auditeert auditeerde
hij, zij, het auditeert auditeerde
wij auditeren auditeerden
jullie auditeren auditeerden
zij auditeren auditeerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
auditeer gebiedende wijs
auditeerde verleden tijd
auditere aanvoegende wijs
auditerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geauditeerd verleden tijd, deelwoord
geauditeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geauditeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geauditeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geauditeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geauditeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geauditeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geauditeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geauditeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geauditeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geauditeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geauditeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geauditeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geauditeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geauditeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geauditeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geauditeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geauditeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te auditeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geauditeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen auditeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal auditeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal auditeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal auditeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geauditeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geauditeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geauditeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou auditeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou auditeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou auditeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geauditeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geauditeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geauditeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden auditeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden auditeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden auditeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geauditeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geauditeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geauditeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt auditeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geauditeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen auditeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen auditeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen auditeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen auditeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geauditeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geauditeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geauditeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult auditeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geauditeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Latijnse 'audire' (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van auditeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
auditeer gebiedende wijs auditeren
auditeerde verleden tijd auditeren
auditeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon auditeren
auditeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon auditeren
auditere aanvoegende wijs auditeren
auditerend onvoltooid deelwoord auditeren
auditerende woordvorm auditeren
geauditeerd voltooid deelwoord auditeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van auditeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over auditeren

Wat is de betekenis van auditeren?
Auditeren is een werkwoord. De betekenis is: auditie doen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik auditeren?
Zo vervoeg je auditeren zo: de tegenwoordige tijd is auditeer, de verleden tijd is auditeerde en het voltooid deelwoord is geauditeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord auditeren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. U 4
  3. D 2
  4. I 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

auditeren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. U 2
  3. D 2
  4. I 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

auditeren in het kort

auditeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van auditeren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort auditeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

auditeren: auditie doen
Deel auditeren — standaardnederlands.nl