auditeren
werkwoordBetekenis
- auditie doen
- toehoorder zijn
- de economische en inhoudelijke bedrijfsvoering van een onderneming onderzoeken
Vervoeging van auditeren
auditerenhele werkwoord — auditeerdeverleden tijd enkelvoud — auditeerdenverleden tijd meervoud — geauditeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | auditeer | auditeerde |
| jij | auditeert | auditeerde |
| hij, zij, het | auditeert | auditeerde |
| wij | auditeren | auditeerden |
| jullie | auditeren | auditeerden |
| zij | auditeren | auditeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| auditeer | gebiedende wijs |
| auditeerde | verleden tijd |
| auditere | aanvoegende wijs |
| auditerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geauditeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geauditeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geauditeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geauditeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geauditeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geauditeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geauditeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geauditeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geauditeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geauditeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geauditeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geauditeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geauditeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geauditeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geauditeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geauditeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geauditeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geauditeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te auditeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geauditeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen auditeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geauditeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geauditeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geauditeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geauditeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geauditeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geauditeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geauditeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geauditeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geauditeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geauditeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen auditeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geauditeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geauditeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geauditeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult auditeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geauditeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Latijnse 'audire' (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van auditeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| auditeer | gebiedende wijs | auditeren |
| auditeerde | verleden tijd | auditeren |
| auditeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | auditeren |
| auditeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | auditeren |
| auditere | aanvoegende wijs | auditeren |
| auditerend | onvoltooid deelwoord | auditeren |
| auditerende | woordvorm | auditeren |
| geauditeerd | voltooid deelwoord | auditeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van auditeren zijn vastgelegd.