audit
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɔːdɪtBetekenis
- onderzoek naar een bedrijfsorganisatie
- het uitvoeren van officiële boekhoudcontroles door een onafhankelijke instantie
- het uitvoeren van een systematisch onderzoek (in bepaalde gebieden)
- het rapport geschreven op basis van de audit 1, 2
Hoe spreek je audit uit?
/ˈɔdɪt/
Audit bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| audits | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van auditen
- gebiedende wijs van auditen
Vervoeging van audit
audithele werkwoord
Herkomst
leenwoord van Engels audit
Woordfamilie van audit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| audits | meervoud | audit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van audit zijn vastgelegd.