assoneren
werkwoordBetekenis
- samen een assonatie vormen, rijmen op
Vervoeging van assoneren
assonerenhele werkwoord — assoneerdeverleden tijd enkelvoud — assoneerdenverleden tijd meervoud — geassoneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | assoneer | assoneerde |
| jij | assoneert | assoneerde |
| hij, zij, het | assoneert | assoneerde |
| wij | assoneren | assoneerden |
| jullie | assoneren | assoneerden |
| zij | assoneren | assoneerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| assoneer | gebiedende wijs |
| assoneerde | verleden tijd |
| assonere | aanvoegende wijs |
| assonerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geassoneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geassoneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geassoneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geassoneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geassoneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geassoneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geassoneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geassoneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geassoneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geassoneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geassoneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geassoneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geassoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geassoneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geassoneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geassoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geassoneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geassoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geassoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geassoneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geassoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geassoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geassoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geassoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geassoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geassoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te assoneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geassoneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen assoneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geassoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geassoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geassoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geassoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geassoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geassoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geassoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geassoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geassoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geassoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen assoneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geassoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geassoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geassoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult assoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geassoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse assoner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van assoneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| assoneer | gebiedende wijs | assoneren |
| assoneerde | verleden tijd | assoneren |
| assoneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | assoneren |
| assoneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | assoneren |
| assonere | aanvoegende wijs | assoneren |
| assonerend | onvoltooid deelwoord | assoneren |
| assonerende | woordvorm | assoneren |
| geassoneerd | voltooid deelwoord | assoneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van assoneren zijn vastgelegd.