arm
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ɑrṃ/Betekenis
- elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
- een (min of meer zelfstandig) onderdeel van een organisatie
- dierlijk lichaamsdeel met dezelfde functie als de menselijke arm
- leuning van een zitmeubel, bedoeld om de arm op te laten rusten
- de afstand van de loodrechte projectie vanuit het draaipunt van het voorwerp waarop een kracht wordt uitgeoefend op de lijn door de krachtvector
- niets of bijna niets bezittend
- beklagenswaardig
- geen of weinig natuurlijke rijkdom bezittend
- arm
Hoe spreek je arm uit?
/ɑrṃ/
Arm bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — masculine
- afsplitsing van een rivier of zee
- afsplitsing van een stuk land in zee
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| armen | meervoud |
| armpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| armpjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] arm | canonical |
Woordfamilie van arm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| armer | woordvorm | arm |
| armere | woordvorm | arm |
| armers | woordvorm | arm |
| armpje | verkleinwoord | arm |
| armpjes | verkleinwoord meervoud | arm |
| arms | woordvorm | arm |
| armst | woordvorm | arm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arm zijn vastgelegd.