arena
zelfstandig naamwoord a'renaBetekenis
- schouwtoneel, met meestal niet meer dan een zanderige bodem, waar wedstrijden, gevechten of circusvoorstellingen gehouden worden
- zand
Hoe spreek je arena uit?
/aˈrena/
Arena bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| r | rood |
| e | veel |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- schouwtoneel, met meestal niet meer dan een zanderige bodem, waar bijv. sportwedstrijden, gevechten of circusvoorstellingen gehouden worden
- achtergrond, setting waartegen iets zich afspeelt figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arena's | meervoud |
| arenaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| arenaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘middendeel in amfitheater’ voor het eerst aangetroffen in 1661
Woordfamilie van arena
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arena's | meervoud | arena |
| arenaatje | verkleinwoord | arena |
| arenaatjes | verkleinwoord meervoud | arena |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arena zijn vastgelegd.