Naar de inhoud

ankeren

het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen

ankeren

werkwoord ˈɑŋkərə(n)

Betekenis

  1. het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
  2. voor anker liggen
  3. zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
  4. iets vastmaken met ankers

Hoe spreek je ankeren uit?

/ˈɑŋkərən/

Ankeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑŋkərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
ŋ ding
k kat
ə de
r rood
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. voor anker leggen transitive
  2. iets vastmaken/vastzetten met ankers transitive

Vervoeging van ankeren

ankerenhele werkwoord — ankerdeverleden tijd enkelvoud — ankerdenverleden tijd meervoud — geankerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik anker ankerde
jij ankert ankerde
hij, zij, het ankert ankerde
wij ankeren ankerden
jullie ankeren ankerden
zij ankeren ankerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
anker gebiedende wijs
ankerde verleden tijd
ankere aanvoegende wijs
ankerend onvoltooid, deelwoord
ben geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geankerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geankerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geankerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geankerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geankerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geankerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geankerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geankerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geankerd verleden tijd, deelwoord
geankerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geankerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geankerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geankerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geankerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geankerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geankerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geankerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geankerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geankerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geankerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geankerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geankerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geankerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geankerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geankerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geankerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geankerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te ankeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geankerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ankeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geankerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geankerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geankerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geankerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geankerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geankerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geankerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geankerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geankerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geankerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geankerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geankerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geankerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geankerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geankerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geankerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geankerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geankerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geankerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geankerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geankerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geankerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geankerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geankerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geankerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geankerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geankerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geankerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geankerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geankerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geankerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geankerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geankerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geankerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geankerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geankerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geankerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geankerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geankerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geankerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen ankeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geankerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geankerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geankerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geankerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geankerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geankerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult ankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geankerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geankerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geankerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van anker met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van ankeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ankerde verleden tijd ankeren
ankerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ankeren
ankere aanvoegende wijs ankeren
ankerend onvoltooid deelwoord ankeren
ankerende woordvorm ankeren
ankert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ankeren
geankerd voltooid deelwoord ankeren
geankerde woordvorm ankeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ankeren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over ankeren

Hoe spreek ik ankeren uit?
Zo spreek je ankeren uit: /ˈɑŋkərə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van ankeren?
Ankeren is een werkwoord. De betekenis is: het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ankeren?
Zo vervoeg je ankeren zo: de tegenwoordige tijd is anker, de verleden tijd is ankerde en het voltooid deelwoord is geankerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ankeren is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. N 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ankeren levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 88 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. N 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 zonder bonus
  9. 88 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

ankeren telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

ankeren in het kort

ankeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ankeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ankeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ankeren: het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
Deel ankeren — standaardnederlands.nl