ankeren
werkwoord ˈɑŋkərə(n)Betekenis
- het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
- voor anker liggen
- zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
- iets vastmaken met ankers
Hoe spreek je ankeren uit?
/ˈɑŋkərən/
Ankeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- voor anker leggen transitive
- iets vastmaken/vastzetten met ankers transitive
Vervoeging van ankeren
ankerenhele werkwoord — ankerdeverleden tijd enkelvoud — ankerdenverleden tijd meervoud — geankerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | anker | ankerde |
| jij | ankert | ankerde |
| hij, zij, het | ankert | ankerde |
| wij | ankeren | ankerden |
| jullie | ankeren | ankerden |
| zij | ankeren | ankerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| anker | gebiedende wijs |
| ankerde | verleden tijd |
| ankere | aanvoegende wijs |
| ankerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geankerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geankerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geankerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geankerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geankerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geankerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geankerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geankerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geankerd | verleden tijd, deelwoord |
| geankerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geankerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geankerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geankerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geankerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geankerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geankerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geankerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geankerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geankerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geankerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te ankeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geankerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ankeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ankeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van anker met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ankeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ankerde | verleden tijd | ankeren |
| ankerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ankeren |
| ankere | aanvoegende wijs | ankeren |
| ankerend | onvoltooid deelwoord | ankeren |
| ankerende | woordvorm | ankeren |
| ankert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ankeren |
| geankerd | voltooid deelwoord | ankeren |
| geankerde | woordvorm | ankeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ankeren zijn vastgelegd.