antithese
zelfstandig naamwoord ˌɑntiˈtezəBetekenis
- het tegenovergestelde, iets met een tegengestelde betekenis
- de weerlegging van een these
- (in Nederland) de tegenstelling tussen christelijke en seculiere partijen
Hoe spreek je antithese uit?
/ˌɑntiˈtezə/
Antithese bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| i | riet |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- de tegenstelling tussen christelijke en seculiere partijen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| antithesen | meervoud |
| antitheses | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tegenstelling’ voor het eerst aangetroffen in 1773
Woordfamilie van antithese
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| antithesen | meervoud | antithese |
| antitheses | meervoud | antithese |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van antithese zijn vastgelegd.