afzien
werkwoord ˈɑfsinBetekenis
- ~ van: besluiten iets niet te doen
- lijden, ongemak doorstaan, o.a. in de sport
- spieken, afkijken
Hoe spreek je afzien uit?
/ˈɑfsin/
Afzien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| i | riet |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afzien
afzienhele werkwoord — zag afverleden tijd enkelvoud — zagen afverleden tijd meervoud — afgezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zie af | zag af |
| jij | ziet af | zaagt af |
| hij, zij, het | ziet af | zag af |
| wij | zien af | zagen af |
| jullie | zien af | zagen af |
| zij | zien af | zagen af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| afgezien | verleden tijd, deelwoord |
| afgezien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzaagt | bijzin, verleden tijd |
| afzag | bijzin, verleden tijd |
| afzagen | bijzin, verleden tijd |
| afzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afziend | onvoltooid, deelwoord |
| afziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zag af | verleden tijd |
| zal afgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgezien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzien | bijzin, toekomende tijd |
| zie af | gebiedende wijs |
| zijn afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzien af zou(dt) zien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezien zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afzien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘(in de sport) lijden’ voor het eerst aangetroffen in 1970
Woordfamilie van afzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeziene | woordvorm | afzien |
| afzag | subordinate-clause, verleden tijd | afzien |
| afzie | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzien |
| afziend | onvoltooid deelwoord | afzien |
| afziende | woordvorm | afzien |
| afziet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzien |
| zag af | verleden tijd | afzien |
| zie af | gebiedende wijs | afzien |
| zien af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afzien |
| ziet af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzien zijn vastgelegd.