afzagen
werkwoordBetekenis
- met een zaag inkorten of smaller maken
Vervoeging van afzagen
afzagenhele werkwoord — zaagde afverleden tijd enkelvoud — zaagden afverleden tijd meervoud — afgezaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zaag af | zaagde af |
| jij | zaagt af | zaagde af |
| hij, zij, het | zaagt af | zaagde af |
| wij | zagen af | zaagden af |
| jullie | zagen af | zaagden af |
| zij | zagen af | zaagden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te zagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zagen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zagen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zagen | bijzin, toekomende tijd |
| afgezaagd | verleden tijd, deelwoord |
| afgezaagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezaagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezaagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezaagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezaagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzaag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzaagde | bijzin, verleden tijd |
| afzaagden | bijzin, verleden tijd |
| afzaagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzagend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zaag af | gebiedende wijs |
| zaagde af | verleden tijd |
| zal afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzagen af zou(dt) zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afzien
Vervoeging van afzagen
afzagenhele werkwoord — zaagde afverleden tijd enkelvoud — zaagden afverleden tijd meervoud — afgezaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zaag af | zaagde af |
| jij | zaagt af | zaagde af |
| hij, zij, het | zaagt af | zaagde af |
| wij | zagen af | zaagden af |
| jullie | zagen af | zaagden af |
| zij | zagen af | zaagden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te zagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zagen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zagen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zagen | bijzin, toekomende tijd |
| afgezaagd | verleden tijd, deelwoord |
| afgezaagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezaagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezaagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezaagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezaagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezaagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzaag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzaagde | bijzin, verleden tijd |
| afzaagden | bijzin, verleden tijd |
| afzaagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzagend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zaag af | gebiedende wijs |
| zaagde af | verleden tijd |
| zal afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzagen af zou(dt) zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af en zagen
Woordfamilie van afzagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afzaag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzagen |
| afzaagde | subordinate-clause, verleden tijd | afzagen |
| afzaagden | subordinate-clause, verleden tijd | afzagen |
| afzaagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzagen |
| afzage | with-subordinate-clause | afzagen |
| afzagend | onvoltooid deelwoord | afzagen |
| afzagende | woordvorm | afzagen |
| zaag af | gebiedende wijs | afzagen |
| zaagde af | verleden tijd | afzagen |
| zaagden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afzagen |
| zaagt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afzagen |
| zage af | woordvorm | afzagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzagen zijn vastgelegd.