Naar de inhoud

afzagen

met een zaag inkorten of smaller maken

afzagen

werkwoord

Betekenis

  1. met een zaag inkorten of smaller maken

Vervoeging van afzagen

afzagenhele werkwoord — zaagde afverleden tijd enkelvoud — zaagden afverleden tijd meervoud — afgezaagdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zaag af zaagde af
jij zaagt af zaagde af
hij, zij, het zaagt af zaagde af
wij zagen af zaagden af
jullie zagen af zaagden af
zij zagen af zaagden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zagen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zagen bijzin, toekomende tijd
af zou zagen bijzin, voorwaardelijk
af zouden zagen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zagen bijzin, voorwaardelijk
af zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zagen bijzin, toekomende tijd
af zult zagen bijzin, toekomende tijd
afgezaagd verleden tijd, deelwoord
afgezaagd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezaagd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezaagd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezaagd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezaagd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezaagd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezaagd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezaagd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezaagd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezaagd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzaag bijzin, tegenwoordige tijd
afzaagde bijzin, verleden tijd
afzaagden bijzin, verleden tijd
afzaagt bijzin, tegenwoordige tijd
afzagend onvoltooid, deelwoord
ben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezaagd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezaagd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezaagd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezaagd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zaag af gebiedende wijs
zaagde af verleden tijd
zal afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzagen bijzin, toekomende tijd
zijn afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzagen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzagen af zou(dt) zagen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzagen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzagen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzagen bijzin, toekomende tijd
zult afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afzien

Vervoeging van afzagen

afzagenhele werkwoord — zaagde afverleden tijd enkelvoud — zaagden afverleden tijd meervoud — afgezaagdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zaag af zaagde af
jij zaagt af zaagde af
hij, zij, het zaagt af zaagde af
wij zagen af zaagden af
jullie zagen af zaagden af
zij zagen af zaagden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zagen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zagen bijzin, toekomende tijd
af zou zagen bijzin, voorwaardelijk
af zouden zagen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zagen bijzin, voorwaardelijk
af zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zagen bijzin, toekomende tijd
af zult zagen bijzin, toekomende tijd
afgezaagd verleden tijd, deelwoord
afgezaagd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezaagd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezaagd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezaagd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezaagd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezaagd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezaagd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezaagd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezaagd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezaagd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzaag bijzin, tegenwoordige tijd
afzaagde bijzin, verleden tijd
afzaagden bijzin, verleden tijd
afzaagt bijzin, tegenwoordige tijd
afzagend onvoltooid, deelwoord
ben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezaagd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezaagd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezaagd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezaagd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zaag af gebiedende wijs
zaagde af verleden tijd
zal afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzagen bijzin, toekomende tijd
zijn afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzagen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzagen af zou(dt) zagen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzagen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzagen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzagen bijzin, toekomende tijd
zult afgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en zagen

Woordfamilie van afzagen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afzaag subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzagen
afzaagde subordinate-clause, verleden tijd afzagen
afzaagden subordinate-clause, verleden tijd afzagen
afzaagt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzagen
afzage with-subordinate-clause afzagen
afzagend onvoltooid deelwoord afzagen
afzagende woordvorm afzagen
zaag af gebiedende wijs afzagen
zaagde af verleden tijd afzagen
zaagden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzagen
zaagt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzagen
zage af woordvorm afzagen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzagen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzagen

Wat betekent afzagen?
Afzagen is een werkwoord. Het woord betekent: met een zaag inkorten of smaller maken.
Hoe vervoeg je afzagen?
Je vervoegt afzagen als volgt: het voltooid deelwoord is afgezaagd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzagen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. A 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzagen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 118 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. A 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 118 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afzagen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afzagen in het kort

afzagen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afzagen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afzagen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afzagen: met een zaag inkorten of smaller maken
Deel afzagen — standaardnederlands.nl