afvoeren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- verwijderen, wegleiden
Vervoeging van afvoeren
afvoerenhele werkwoord — voerde afverleden tijd enkelvoud — voerden afverleden tijd meervoud — afgevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voer af | voerde af |
| jij | voert af | voerde af |
| hij, zij, het | voert af | voerde af |
| wij | voeren af | voerden af |
| jullie | voeren af | voerden af |
| zij | voeren af | voerden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te voeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen voeren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult voeren | bijzin, toekomende tijd |
| afgevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| afgevoerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevoerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevoerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevoerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevoerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afvoer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvoerde | bijzin, verleden tijd |
| afvoerden | bijzin, verleden tijd |
| afvoerend | onvoltooid, deelwoord |
| afvoert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgevoerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgevoerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgevoerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgevoerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voer af | gebiedende wijs |
| voerde af | verleden tijd |
| waart afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afvoeren af zou(dt) voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afvaren
Vervoeging van afvoeren
afvoerenhele werkwoord — voerde afverleden tijd enkelvoud — voerden afverleden tijd meervoud — afgevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voer af | voerde af |
| jij | voert af | voerde af |
| hij, zij, het | voert af | voerde af |
| wij | voeren af | voerden af |
| jullie | voeren af | voerden af |
| zij | voeren af | voerden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te voeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen voeren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult voeren | bijzin, toekomende tijd |
| afgevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| afgevoerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevoerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevoerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevoerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevoerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevoerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afvoer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvoerde | bijzin, verleden tijd |
| afvoerden | bijzin, verleden tijd |
| afvoerend | onvoltooid, deelwoord |
| afvoert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgevoerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgevoerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgevoerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgevoerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voer af | gebiedende wijs |
| voerde af | verleden tijd |
| waart afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afvoeren af zou(dt) voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afvoer
Herkomst
samenstelling van af bw en voeren ww
Woordfamilie van afvoeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgevoerd | voltooid deelwoord | afvoeren |
| afgevoerde | woordvorm | afvoeren |
| afvoerde | subordinate-clause, verleden tijd | afvoeren |
| afvoerden | subordinate-clause, verleden tijd | afvoeren |
| afvoere | with-subordinate-clause | afvoeren |
| afvoerend | onvoltooid deelwoord | afvoeren |
| afvoerende | woordvorm | afvoeren |
| afvoert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvoeren |
| voerde af | verleden tijd | afvoeren |
| voerden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afvoeren |
| voere af | woordvorm | afvoeren |
| voert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afvoeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvoeren zijn vastgelegd.