aftrappen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑftrɑpə(n)Betekenis
- de aftrap nemen; de voetbal wedstrijd beginnen
Hoe spreek je aftrappen uit?
/ˈɑftrɑpən/
Aftrappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
| r | rood |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aftrappen
aftrappenhele werkwoord — trapte afverleden tijd enkelvoud — trapten afverleden tijd meervoud — afgetraptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trap af | trapte af |
| jij | trapt af | trapte af |
| hij, zij, het | trapt af | trapte af |
| wij | trappen af | trapten af |
| jullie | trappen af | trapten af |
| zij | trappen af | trapten af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te trappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen trappen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult trappen | bijzin, toekomende tijd |
| afgetrapt | verleden tijd, deelwoord |
| afgetrapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetrapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftrap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftrappend | onvoltooid, deelwoord |
| aftrapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftrapte | bijzin, verleden tijd |
| aftrapten | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trap af | gebiedende wijs |
| trapte af | verleden tijd |
| zal afgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftrappen af zou(dt) trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aftrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aftrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aftrappen af zult/zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aftrap
Herkomst
samenstelling van af en trappen
Woordfamilie van aftrappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aftrappe | with-subordinate-clause | aftrappen |
| aftrappend | onvoltooid deelwoord | aftrappen |
| aftrappende | woordvorm | aftrappen |
| aftrapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftrappen |
| aftrapte | subordinate-clause, verleden tijd | aftrappen |
| aftrapten | subordinate-clause, verleden tijd | aftrappen |
| trap af | gebiedende wijs | aftrappen |
| trappe af | woordvorm | aftrappen |
| trappen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftrappen |
| trapt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftrappen |
| trapte af | verleden tijd | aftrappen |
| trapten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftrappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftrappen zijn vastgelegd.