aftreden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑftredə(n)Betekenis
- een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
Hoe spreek je aftreden uit?
/ˈɑftredən/
Aftreden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
| r | rood |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aftreden
aftredenhele werkwoord — trad afverleden tijd enkelvoud — traden afverleden tijd meervoud — afgetredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | treed af | trad af |
| jij | treedt af | trad af |
| hij, zij, het | treedt af | trad af |
| wij | treden af | traden af |
| jullie | treden af | traden af |
| zij | treden af | traden af |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te treden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal treden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou treden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden treden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt treden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen treden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult treden | bijzin, toekomende tijd |
| afgetreden | verleden tijd, deelwoord |
| afgetreden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetreden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftrad | bijzin, verleden tijd |
| aftraden | bijzin, verleden tijd |
| aftradt | bijzin, verleden tijd |
| aftredend | onvoltooid, deelwoord |
| aftreed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftreedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn afgetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trad af | verleden tijd |
| treed af | gebiedende wijs |
| waart afgetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftreden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftreden af zou(dt) treden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aftreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aftreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aftreden af zult/zal treden | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aftred
Herkomst
samenstelling van af bw en treden ww
Woordfamilie van aftreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgetreden | voltooid deelwoord | aftreden |
| aftrad | subordinate-clause, verleden tijd | aftreden |
| aftraden | subordinate-clause, verleden tijd | aftreden |
| aftrede | with-subordinate-clause | aftreden |
| aftreed | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftreden |
| aftreedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftreden |
| trad af | verleden tijd | aftreden |
| traden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftreden |
| trede af | woordvorm | aftreden |
| treden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftreden |
| treed af | gebiedende wijs | aftreden |
| treedt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftreden zijn vastgelegd.