Naar de inhoud

afspuiten

door spuiten reinigen

afspuiten

werkwoord

Betekenis

  1. door spuiten reinigen

Vervoeging van afspuiten

afspuitenhele werkwoord — spoot afverleden tijd enkelvoud — spoten afverleden tijd meervoud — afgespotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spuit af spoot af
jij spuit af spoot af
hij, zij, het spuit af spoot af
wij spuiten af spoten af
jullie spuiten af spoten af
zij spuiten af spoten af
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te spuiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen spuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal spuiten bijzin, toekomende tijd
af zou spuiten bijzin, voorwaardelijk
af zouden spuiten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt spuiten bijzin, voorwaardelijk
af zullen spuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen spuiten bijzin, toekomende tijd
af zult spuiten bijzin, toekomende tijd
afgespoten verleden tijd, deelwoord
afgespoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgespoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgespoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgespoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgespoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgespoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgespoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afspoot bijzin, verleden tijd
afspoten bijzin, verleden tijd
afspuit bijzin, tegenwoordige tijd
afspuitend onvoltooid, deelwoord
ben afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgespoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgespoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgespoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgespoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgespoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgespoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgespoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgespoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgespoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spoot af verleden tijd
spuit af gebiedende wijs
te hebben afgespoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afspuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afspuiten bijzin, toekomende tijd
zijn afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afspuiten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afspuiten af zou(dt) spuiten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afspuiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afspuiten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afspuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afspuiten bijzin, toekomende tijd
zult afgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en spuiten

Woordfamilie van afspuiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgespoten voltooid deelwoord afspuiten
afspoot subordinate-clause, verleden tijd afspuiten
afspoten subordinate-clause, verleden tijd afspuiten
afspuit subordinate-clause, tegenwoordige tijd afspuiten
afspuite with-subordinate-clause afspuiten
afspuitend onvoltooid deelwoord afspuiten
afspuitende woordvorm afspuiten
spoot af verleden tijd afspuiten
spoten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afspuiten
spuit af gebiedende wijs afspuiten
spuite af woordvorm afspuiten
spuiten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afspuiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afspuiten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afspuiten

Wat is de betekenis van afspuiten?
Afspuiten is een werkwoord. De betekenis is: door spuiten reinigen.
Hoe vervoeg ik afspuiten?
Zo vervoeg je afspuiten zo: het voltooid deelwoord is afgespoten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afspuiten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. P 3
  5. U 4
  6. I 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afspuiten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. P 4
  5. U 2
  6. I 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afspuiten in het kort

afspuiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afspuiten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afspuiten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afspuiten: door spuiten reinigen
Deel afspuiten — standaardnederlands.nl