afsmijten
werkwoord /ˈɑvsmɛitə(n)/Betekenis
- met de grond gelijk maken, afbreken
Hoe spreek je afsmijten uit?
/ˈɑvsmɛitən/
Afsmijten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| s | sok |
| m | maan |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afsmijten
afsmijtenhele werkwoord — smeet afverleden tijd enkelvoud — smeten afverleden tijd meervoud — afgesmetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smijt af | smeet af |
| jij | smijt af | smeet af |
| hij, zij, het | smijt af | smeet af |
| wij | smijten af | smeten af |
| jullie | smijten af | smeten af |
| zij | smijten af | smeten af |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te smijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen smijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal smijten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou smijten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden smijten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt smijten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen smijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen smijten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult smijten | bijzin, toekomende tijd |
| afgesmeten | verleden tijd, deelwoord |
| afgesmeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesmeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsmeet | bijzin, verleden tijd |
| afsmeten | bijzin, verleden tijd |
| afsmijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsmijtend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgesmeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgesmeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgesmeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgesmeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgesmeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgesmeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgesmeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesmeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smeet af | verleden tijd |
| smijt af | gebiedende wijs |
| te hebben afgesmeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afsmijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afsmijten | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afsmijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afsmijten af zou(dt) smijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afsmijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afsmijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afsmijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afsmijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afsmijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afsmijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afsmijten af zult/zal smijten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en smijten ww
Woordfamilie van afsmijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgesmeten | voltooid deelwoord | afsmijten |
| afsmeet | subordinate-clause, verleden tijd | afsmijten |
| afsmeten | subordinate-clause, verleden tijd | afsmijten |
| afsmijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afsmijten |
| afsmijte | with-subordinate-clause | afsmijten |
| afsmijtend | onvoltooid deelwoord | afsmijten |
| afsmijtende | woordvorm | afsmijten |
| smeet af | verleden tijd | afsmijten |
| smeten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afsmijten |
| smijt af | gebiedende wijs | afsmijten |
| smijte af | woordvorm | afsmijten |
| smijten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afsmijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsmijten zijn vastgelegd.