Naar de inhoud

afsnauwen

iemand op geïrriteerde toon kortaf antwoorden

afsnauwen

werkwoord /ɑfsnɔuə(n)/

Betekenis

  1. iemand op geïrriteerde toon kortaf antwoorden

Hoe spreek je afsnauwen uit?

/ɑfsnɔuən/

Afsnauwen bestaat uit twee lettergrepen.

De tekens in /ɑfsnɔuən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
n nek
ɔ bot
u boek
ə de

Vervoeging van afsnauwen

afsnauwenhele werkwoord — snauwde afverleden tijd enkelvoud — snauwden afverleden tijd meervoud — afgesnauwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snauw af snauwde af
jij snauwt af snauwde af
hij, zij, het snauwt af snauwde af
wij snauwen af snauwden af
jullie snauwen af snauwden af
zij snauwen af snauwden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te snauwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen snauwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal snauwen bijzin, toekomende tijd
af zou snauwen bijzin, voorwaardelijk
af zouden snauwen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt snauwen bijzin, voorwaardelijk
af zullen snauwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen snauwen bijzin, toekomende tijd
af zult snauwen bijzin, toekomende tijd
afgesnauwd verleden tijd, deelwoord
afgesnauwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgesnauwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgesnauwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesnauwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesnauwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesnauwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgesnauwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgesnauwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgesnauwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgesnauwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afsnauw bijzin, tegenwoordige tijd
afsnauwde bijzin, verleden tijd
afsnauwden bijzin, verleden tijd
afsnauwend onvoltooid, deelwoord
afsnauwt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgesnauwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgesnauwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgesnauwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgesnauwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgesnauwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgesnauwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgesnauwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgesnauwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgesnauwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgesnauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgesnauwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgesnauwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgesnauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgesnauwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgesnauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesnauwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
snauw af gebiedende wijs
snauwde af verleden tijd
te hebben afgesnauwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afsnauwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgesnauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgesnauwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgesnauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgesnauwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgesnauwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgesnauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgesnauwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgesnauwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgesnauwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesnauwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgesnauwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgesnauwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesnauwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afsnauwen bijzin, toekomende tijd
zijn afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgesnauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgesnauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesnauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesnauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesnauwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesnauwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesnauwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afsnauwen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afsnauwen af zou(dt) snauwen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgesnauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesnauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesnauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgesnauwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesnauwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesnauwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afsnauwen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgesnauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgesnauwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afsnauwen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgesnauwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesnauwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesnauwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgesnauwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgesnauwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesnauwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesnauwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afsnauwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afsnauwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afsnauwen bijzin, toekomende tijd
zult afgesnauwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en snauwen ww

Woordfamilie van afsnauwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgesnauwd voltooid deelwoord afsnauwen
afgesnauwde woordvorm afsnauwen
afsnauw subordinate-clause, tegenwoordige tijd afsnauwen
afsnauwde subordinate-clause, verleden tijd afsnauwen
afsnauwden subordinate-clause, verleden tijd afsnauwen
afsnauwe with-subordinate-clause afsnauwen
afsnauwend onvoltooid deelwoord afsnauwen
afsnauwende woordvorm afsnauwen
afsnauwt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afsnauwen
snauw af gebiedende wijs afsnauwen
snauwde af verleden tijd afsnauwen
snauwden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afsnauwen
snauwe af woordvorm afsnauwen
snauwen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afsnauwen
snauwt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afsnauwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsnauwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afsnauwen

Hoe spreek je afsnauwen uit?
De uitspraak van afsnauwen is: /ɑfsnɔuə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent afsnauwen?
Afsnauwen is een werkwoord. Het woord betekent: iemand op geïrriteerde toon kortaf antwoorden.
Hoe vervoeg je afsnauwen?
Je vervoegt afsnauwen als volgt: het voltooid deelwoord is afgesnauwd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afsnauwen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. N 1
  5. A 1
  6. U 4
  7. W 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afsnauwen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. N 1
  5. A 1
  6. U 2
  7. W 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afsnauwen in het kort

afsnauwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afsnauwen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afsnauwen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afsnauwen: iemand op geïrriteerde toon kortaf antwoorden
Deel afsnauwen — standaardnederlands.nl