Naar de inhoud

afsloten

met sloten afscheiden

afsloten

werkwoord

Betekenis

  1. met sloten afscheiden

Vervoeging van afsloten

afslotenhele werkwoord — slootte afverleden tijd enkelvoud — slootten afverleden tijd meervoud — afgeslootvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sloot af slootte af
jij sloot af slootte af
hij, zij, het sloot af slootte af
wij sloten af slootten af
jullie sloten af slootten af
zij sloten af slootten af
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te sloten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen sloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal sloten bijzin, toekomende tijd
af zou sloten bijzin, voorwaardelijk
af zouden sloten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt sloten bijzin, voorwaardelijk
af zullen sloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen sloten bijzin, toekomende tijd
af zult sloten bijzin, toekomende tijd
afgesloot verleden tijd, deelwoord
afgesloot te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesloot zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afsloot bijzin, tegenwoordige tijd
afslootte bijzin, verleden tijd
afslootten bijzin, verleden tijd
afslotend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had afgesloot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgesloot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgesloot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgesloot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgesloot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgesloot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgesloot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesloot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sloot af gebiedende wijs
slootte af verleden tijd
te hebben afgesloot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afsloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afsloten bijzin, toekomende tijd
zou afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afsloten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afsloten af zou(dt) sloten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afsloten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afsloten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afsloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afsloten bijzin, toekomende tijd
zult afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afsloten bijzin, toekomende tijd
zult/zal afsloten af zult/zal sloten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afsluiten

Vervoeging van afsloten

afslotenhele werkwoord — slootte afverleden tijd enkelvoud — slootten afverleden tijd meervoud — afgeslootvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sloot af slootte af
jij sloot af slootte af
hij, zij, het sloot af slootte af
wij sloten af slootten af
jullie sloten af slootten af
zij sloten af slootten af
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te sloten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen sloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal sloten bijzin, toekomende tijd
af zou sloten bijzin, voorwaardelijk
af zouden sloten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt sloten bijzin, voorwaardelijk
af zullen sloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen sloten bijzin, toekomende tijd
af zult sloten bijzin, toekomende tijd
afgesloot verleden tijd, deelwoord
afgesloot te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesloot zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afsloot bijzin, tegenwoordige tijd
afslootte bijzin, verleden tijd
afslootten bijzin, verleden tijd
afslotend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had afgesloot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgesloot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgesloot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgesloot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgesloot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgesloot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgesloot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesloot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesloot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sloot af gebiedende wijs
slootte af verleden tijd
te hebben afgesloot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afsloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afsloten bijzin, toekomende tijd
zou afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afsloten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afsloten af zou(dt) sloten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afsloten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgesloot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afsloten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afsloten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afsloten bijzin, toekomende tijd
zult afgesloot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afsloten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afsloten bijzin, toekomende tijd
zult/zal afsloten af zult/zal sloten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af en sloten

Woordfamilie van afsloten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgesloot voltooid deelwoord afsloten
afslootte subordinate-clause, verleden tijd afsloten
afslootten subordinate-clause, verleden tijd afsloten
afslote with-subordinate-clause afsloten
afslotend onvoltooid deelwoord afsloten
afslotende woordvorm afsloten
slootte af verleden tijd afsloten
slootten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afsloten
slote af woordvorm afsloten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsloten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afsloten

Wat is de betekenis van afsloten?
Afsloten is een werkwoord. De betekenis is: met sloten afscheiden.
Hoe vervoeg ik afsloten?
Zo vervoeg je afsloten zo: het voltooid deelwoord is afgesloot. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afsloten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afsloten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afsloten in het kort

afsloten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afsloten staan er 43 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afsloten bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afsloten: met sloten afscheiden
Deel afsloten — standaardnederlands.nl