afsluiter
zelfstandig naamwoord ˈɑfslœytərBetekenis
- mechaniek om de doorstroming van een medium te regelen (gas, vaste stof, slurrie, of vloeistof), door het (deels) openen of sluiten van een of meer doorstroomopeningen
- persoon die iets afsluit, laatste nummer van een cd of optreden
Hoe spreek je afsluiter uit?
/ˈɑfslœytər/
Afsluiter bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| l | land |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afsluiters | meervoud |
| afsluitertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afsluitertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van afsluiten en met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van afsluiter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afsluiters | meervoud | afsluiter |
| afsluitertje | verkleinwoord | afsluiter |
| afsluitertjes | verkleinwoord meervoud | afsluiter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsluiter zijn vastgelegd.