Naar de inhoud

afslijpen

door slijpen wegnemen

afslijpen

werkwoord

Betekenis

  1. door slijpen wegnemen
  2. door slijpen gladmaken

Vervoeging van afslijpen

afslijpenhele werkwoord — sleep afverleden tijd enkelvoud — slepen afverleden tijd meervoud — afgeslepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik slijp af sleep af
jij slijpt af sleep af
hij, zij, het slijpt af sleep af
wij slijpen af slepen af
jullie slijpen af slepen af
zij slijpen af slepen af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te slijpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen slijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal slijpen bijzin, toekomende tijd
af zou slijpen bijzin, voorwaardelijk
af zouden slijpen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt slijpen bijzin, voorwaardelijk
af zullen slijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen slijpen bijzin, toekomende tijd
af zult slijpen bijzin, toekomende tijd
afgeslepen verleden tijd, deelwoord
afgeslepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeslepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeslepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeslepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeslepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeslepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeslepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afsleep bijzin, verleden tijd
afslepen bijzin, verleden tijd
afslijp bijzin, tegenwoordige tijd
afslijpend onvoltooid, deelwoord
afslijpt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeslepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeslepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeslepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeslepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeslepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeslepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeslepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeslepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeslepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeslepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeslepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeslepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeslepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep af verleden tijd
slijp af gebiedende wijs
te hebben afgeslepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afslijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeslepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeslepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeslepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeslepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeslepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeslepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afslijpen bijzin, toekomende tijd
zijn afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afslijpen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afslijpen af zou(dt) slijpen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeslepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeslepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeslepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afslijpen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeslepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afslijpen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeslepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeslepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeslepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeslepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afslijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afslijpen bijzin, toekomende tijd
zult afgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en slijpen

Woordfamilie van afslijpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeslepen voltooid deelwoord afslijpen
afslijp subordinate-clause, tegenwoordige tijd afslijpen
afslijpe with-subordinate-clause afslijpen
afslijpend onvoltooid deelwoord afslijpen
afslijpende woordvorm afslijpen
afslijpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afslijpen
slijp af gebiedende wijs afslijpen
slijpe af woordvorm afslijpen
slijpen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afslijpen
slijpt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afslijpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afslijpen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afslijpen

Wat betekent afslijpen?
Afslijpen is een werkwoord. Het woord betekent: door slijpen wegnemen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afslijpen?
Je vervoegt afslijpen als volgt: het voltooid deelwoord is afgeslepen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afslijpen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afslijpen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. I 2
  6. J 4
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afslijpen in het kort

afslijpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afslijpen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afslijpen bij een woordfamilie van 10 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afslijpen: door slijpen wegnemen
Deel afslijpen — standaardnederlands.nl