afslepen
werkwoordBetekenis
- wegslepen
Vervoeging van afslepen
afslepenhele werkwoord — sleepte afverleden tijd enkelvoud — sleepten afverleden tijd meervoud — afgesleeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sleep af | sleepte af |
| jij | sleept af | sleepte af |
| hij, zij, het | sleept af | sleepte af |
| wij | slepen af | sleepten af |
| jullie | slepen af | sleepten af |
| zij | slepen af | sleepten af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te slepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen slepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal slepen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen slepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen slepen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult slepen | bijzin, toekomende tijd |
| afgesleept | verleden tijd, deelwoord |
| afgesleept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesleept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsleep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsleept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsleepte | bijzin, verleden tijd |
| afsleepten | bijzin, verleden tijd |
| afslepend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sleep af | gebiedende wijs |
| sleepte af | verleden tijd |
| te hebben afgesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afslepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afslepen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afslepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afslepen af zou(dt) slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afslepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afslepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afslepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afslepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afslepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afslepen af zult/zal slepen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afslijpen
Vervoeging van afslepen
afslepenhele werkwoord — sleepte afverleden tijd enkelvoud — sleepten afverleden tijd meervoud — afgesleeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sleep af | sleepte af |
| jij | sleept af | sleepte af |
| hij, zij, het | sleept af | sleepte af |
| wij | slepen af | sleepten af |
| jullie | slepen af | sleepten af |
| zij | slepen af | sleepten af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te slepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen slepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal slepen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen slepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen slepen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult slepen | bijzin, toekomende tijd |
| afgesleept | verleden tijd, deelwoord |
| afgesleept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesleept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsleep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsleept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsleepte | bijzin, verleden tijd |
| afsleepten | bijzin, verleden tijd |
| afslepend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sleep af | gebiedende wijs |
| sleepte af | verleden tijd |
| te hebben afgesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afslepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afslepen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afslepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afslepen af zou(dt) slepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afslepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afslepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afslepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afslepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afslepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afslepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afslepen af zult/zal slepen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en slepen
Woordfamilie van afslepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgesleept | voltooid deelwoord | afslepen |
| afgesleepte | woordvorm | afslepen |
| afsleept | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afslepen |
| afsleepte | subordinate-clause, verleden tijd | afslepen |
| afsleepten | subordinate-clause, verleden tijd | afslepen |
| afslepe | with-subordinate-clause | afslepen |
| afslepend | onvoltooid deelwoord | afslepen |
| afslepende | woordvorm | afslepen |
| sleept af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afslepen |
| sleepte af | verleden tijd | afslepen |
| sleepten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afslepen |
| slepe af | woordvorm | afslepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afslepen zijn vastgelegd.