afschutten
werkwoordBetekenis
- een schip door een sluis doen passeren van hoger naar lager gelegen water.
Vervoeging van afschutten
afschuttenhele werkwoord — schutte afverleden tijd enkelvoud — schutten afverleden tijd meervoud — afgeschutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schut af | schutte af |
| jij | schut af | schutte af |
| hij, zij, het | schut af | schutte af |
| wij | schutten af | schutten af |
| jullie | schutten af | schutten af |
| zij | schutten af | schutten af |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te schutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schutten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schutten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schutten | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschut | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschut te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschut te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschut te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschut te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschut worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschut zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschut zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschut zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschut | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschutte | bijzin, verleden tijd |
| afschuttend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeschut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeschut | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeschut | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeschut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschut worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschut zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeschut worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeschut zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schut af | gebiedende wijs |
| schutte af | verleden tijd |
| te hebben afgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschutten af zou(dt) schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afschutten
Vervoeging van afschutten
afschuttenhele werkwoord — schutte afverleden tijd enkelvoud — schutten afverleden tijd meervoud — afgeschutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schut af | schutte af |
| jij | schut af | schutte af |
| hij, zij, het | schut af | schutte af |
| wij | schutten af | schutten af |
| jullie | schutten af | schutten af |
| zij | schutten af | schutten af |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te schutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schutten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schutten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schutten | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschut | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschut te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschut te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschut te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschut te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschut worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschut zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschut zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschut zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschut | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschutte | bijzin, verleden tijd |
| afschuttend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeschut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeschut | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeschut | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeschut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschut worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschut zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeschut worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeschut zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schut af | gebiedende wijs |
| schutte af | verleden tijd |
| te hebben afgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeschut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschutten af zou(dt) schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgeschut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgeschut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en schutten ww
Woordfamilie van afschutten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschut | voltooid deelwoord | afschutten |
| afgeschutte | woordvorm | afschutten |
| afschut | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschutten |
| afschutte | subordinate-clause, verleden tijd | afschutten |
| afschuttend | onvoltooid deelwoord | afschutten |
| afschuttende | woordvorm | afschutten |
| schut af | gebiedende wijs | afschutten |
| schutte af | verleden tijd | afschutten |
| schutten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschutten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschutten zijn vastgelegd.