Naar de inhoud

afschutten

een schip door een sluis doen passeren van hoger naar lager gelegen water.

afschutten

werkwoord

Betekenis

  1. een schip door een sluis doen passeren van hoger naar lager gelegen water.

Vervoeging van afschutten

afschuttenhele werkwoord — schutte afverleden tijd enkelvoud — schutten afverleden tijd meervoud — afgeschutvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schut af schutte af
jij schut af schutte af
hij, zij, het schut af schutte af
wij schutten af schutten af
jullie schutten af schutten af
zij schutten af schutten af
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te schutten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal schutten bijzin, toekomende tijd
af zou schutten bijzin, voorwaardelijk
af zouden schutten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt schutten bijzin, voorwaardelijk
af zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen schutten bijzin, toekomende tijd
af zult schutten bijzin, toekomende tijd
afgeschut verleden tijd, deelwoord
afgeschut te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeschut te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeschut te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschut te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschut te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschut worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeschut zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeschut zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeschut zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeschut zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afschut bijzin, tegenwoordige tijd
afschutte bijzin, verleden tijd
afschuttend onvoltooid, deelwoord
ben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeschut impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeschut impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeschut worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeschut zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeschut worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeschut zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schut af gebiedende wijs
schutte af verleden tijd
te hebben afgeschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afschutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afschutten bijzin, toekomende tijd
zijn afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afschutten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afschutten af zou(dt) schutten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afschutten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afschutten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afschutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afschutten bijzin, toekomende tijd
zult afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afschutten

Vervoeging van afschutten

afschuttenhele werkwoord — schutte afverleden tijd enkelvoud — schutten afverleden tijd meervoud — afgeschutvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schut af schutte af
jij schut af schutte af
hij, zij, het schut af schutte af
wij schutten af schutten af
jullie schutten af schutten af
zij schutten af schutten af
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te schutten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal schutten bijzin, toekomende tijd
af zou schutten bijzin, voorwaardelijk
af zouden schutten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt schutten bijzin, voorwaardelijk
af zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen schutten bijzin, toekomende tijd
af zult schutten bijzin, toekomende tijd
afgeschut verleden tijd, deelwoord
afgeschut te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeschut te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeschut te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschut te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschut te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschut worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeschut zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeschut zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeschut zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeschut zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afschut bijzin, tegenwoordige tijd
afschutte bijzin, verleden tijd
afschuttend onvoltooid, deelwoord
ben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeschut impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeschut impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeschut worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeschut zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeschut worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeschut zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schut af gebiedende wijs
schutte af verleden tijd
te hebben afgeschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afschutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afschutten bijzin, toekomende tijd
zijn afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afschutten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afschutten af zou(dt) schutten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afschutten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afschutten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afschutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afschutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afschutten bijzin, toekomende tijd
zult afgeschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en schutten ww

Woordfamilie van afschutten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeschut voltooid deelwoord afschutten
afgeschutte woordvorm afschutten
afschut subordinate-clause, tegenwoordige tijd afschutten
afschutte subordinate-clause, verleden tijd afschutten
afschuttend onvoltooid deelwoord afschutten
afschuttende woordvorm afschutten
schut af gebiedende wijs afschutten
schutte af verleden tijd afschutten
schutten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afschutten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschutten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afschutten

Wat betekent afschutten?
Afschutten is een werkwoord. Het woord betekent: een schip door een sluis doen passeren van hoger naar lager gelegen water.
Hoe vervoeg je afschutten?
Je vervoegt afschutten als volgt: het voltooid deelwoord is afgeschut. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afschutten is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. U 4
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afschutten levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. U 2
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afschutten in het kort

afschutten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afschutten zijn 84 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afschutten bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afschutten: een schip door een sluis doen passeren van hoger naar lager gelegen water.
Deel afschutten — standaardnederlands.nl