Naar de inhoud

afschieten

met een schot doden

afschieten

werkwoord ˈɑfsxitə(n)

Betekenis

  1. met een schot doden
  2. iets met behulp van een explosie snel weg laten vliegen

Hoe spreek je afschieten uit?

/ˈɑfsxitən/

Afschieten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfsxitən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
x acht
i riet
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afschieten

afschietenhele werkwoord — schoot afverleden tijd enkelvoud — schoten afverleden tijd meervoud — afgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet af schoot af
jij schiet af schoot af
hij, zij, het schiet af schoot af
wij schieten af schoten af
jullie schieten af schoten af
zij schieten af schoten af
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal schieten bijzin, toekomende tijd
af zou schieten bijzin, voorwaardelijk
af zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
af zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen schieten bijzin, toekomende tijd
af zult schieten bijzin, toekomende tijd
afgeschoten verleden tijd, deelwoord
afgeschoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeschoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeschoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeschoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeschoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeschoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeschoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afschiet bijzin, tegenwoordige tijd
afschietend onvoltooid, deelwoord
afschoot bijzin, verleden tijd
afschoten bijzin, verleden tijd
ben afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeschoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeschoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeschoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeschoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schiet af gebiedende wijs
schoot af verleden tijd
te hebben afgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afschieten bijzin, toekomende tijd
zijn afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afschieten af zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afschieten bijzin, toekomende tijd
zult afgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en schieten ww

Woordfamilie van afschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeschoten voltooid deelwoord afschieten
afschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd afschieten
afschiete with-subordinate-clause afschieten
afschietend onvoltooid deelwoord afschieten
afschietende woordvorm afschieten
afschoot subordinate-clause, verleden tijd afschieten
afschoten subordinate-clause, verleden tijd afschieten
schiet af gebiedende wijs afschieten
schiete af woordvorm afschieten
schieten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afschieten
schoot af verleden tijd afschieten
schoten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afschieten

Hoe spreek je afschieten uit?
De uitspraak van afschieten is: /ˈɑfsxitə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent afschieten?
Afschieten is een werkwoord. Het woord betekent: met een schot doden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afschieten?
Je vervoegt afschieten als volgt: het voltooid deelwoord is afgeschoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afschieten is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 1
  7. E 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afschieten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 2
  7. E 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afschieten in het kort

afschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afschieten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afschieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afschieten: met een schot doden
Deel afschieten — standaardnederlands.nl