afscheuren
werkwoord ˈɑfsxørə(n)Betekenis
- door een scheurbeweging van een groter geheel losraken
- met een scheurbeweging losmaken
Hoe spreek je afscheuren uit?
/ˈɑfsxørən/
Afscheuren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| x | acht |
| ø | deur |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afscheuren
afscheurenhele werkwoord — scheurde afverleden tijd enkelvoud — scheurden afverleden tijd meervoud — afgescheurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheur af | scheurde af |
| jij | scheurt af | scheurde af |
| hij, zij, het | scheurt af | scheurde af |
| wij | scheuren af | scheurden af |
| jullie | scheuren af | scheurden af |
| zij | scheuren af | scheurden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te scheuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen scheuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal scheuren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou scheuren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden scheuren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt scheuren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen scheuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen scheuren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult scheuren | bijzin, toekomende tijd |
| afgescheurd | verleden tijd, deelwoord |
| afgescheurd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgescheurd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgescheurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgescheurd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgescheurd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgescheurd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgescheurd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgescheurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgescheurd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgescheurd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afscheur | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afscheurde | bijzin, verleden tijd |
| afscheurden | bijzin, verleden tijd |
| afscheurend | onvoltooid, deelwoord |
| afscheurt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgescheurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgescheurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgescheurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgescheurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgescheurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgescheurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgescheurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgescheurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgescheurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgescheurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgescheurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgescheurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgescheurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgescheurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgescheurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgescheurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheur af | gebiedende wijs |
| scheurde af | verleden tijd |
| te hebben afgescheurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afscheuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgescheurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgescheurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgescheurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgescheurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgescheurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgescheurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgescheurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgescheurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgescheurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgescheurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgescheurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgescheurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgescheurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afscheuren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgescheurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgescheurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgescheurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgescheurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgescheurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgescheurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgescheurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afscheuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afscheuren af zou(dt) scheuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgescheurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgescheurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgescheurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgescheurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgescheurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgescheurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afscheuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgescheurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgescheurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afscheuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgescheurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgescheurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgescheurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgescheurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgescheurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgescheurd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgescheurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afscheuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afscheuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afscheuren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgescheurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en scheuren ww
Woordfamilie van afscheuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgescheurd | voltooid deelwoord | afscheuren |
| afgescheurde | woordvorm | afscheuren |
| afscheur | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afscheuren |
| afscheurde | subordinate-clause, verleden tijd | afscheuren |
| afscheurden | subordinate-clause, verleden tijd | afscheuren |
| afscheure | with-subordinate-clause | afscheuren |
| afscheurend | onvoltooid deelwoord | afscheuren |
| afscheurende | woordvorm | afscheuren |
| afscheurt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afscheuren |
| scheur af | gebiedende wijs | afscheuren |
| scheurde af | verleden tijd | afscheuren |
| scheurden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afscheuren |
| scheure af | woordvorm | afscheuren |
| scheuren af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afscheuren |
| scheurt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afscheuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afscheuren zijn vastgelegd.