afschilderen
werkwoord /ɑfsxɪldərə(n)/Betekenis
- een meestal niet geheel terechte weergave van iets of iemand geven, waardoor de schrijver of spreker vooral aangeeft wat hij zelf vindt van de beschreven persoon
Hoe spreek je afschilderen uit?
/ɑfsxɪldərən/
Afschilderen bestaat uit vier lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
Vervoeging van afschilderen
afschilderenhele werkwoord — schilderde afverleden tijd enkelvoud — schilderden afverleden tijd meervoud — afgeschilderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schilder af | schilderde af |
| jij | schildert af | schilderde af |
| hij, zij, het | schildert af | schilderde af |
| wij | schilderen af | schilderden af |
| jullie | schilderen af | schilderden af |
| zij | schilderen af | schilderden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te schilderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schilderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schilderen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schilderen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schilderen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schilderen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schilderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schilderen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schilderen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschilderd | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschilderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschilderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschilderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschilderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschilderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschilderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschilderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschilderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschilderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschilderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschilder | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschilderde | bijzin, verleden tijd |
| afschilderden | bijzin, verleden tijd |
| afschilderend | onvoltooid, deelwoord |
| afschildert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeschilderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeschilderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeschilderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeschilderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschilderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschilderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeschilderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeschilderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschilderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schilder af | gebiedende wijs |
| schilderde af | verleden tijd |
| te hebben afgeschilderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschilderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeschilderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeschilderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeschilderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschilderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschilderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeschilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschilderen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeschilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeschilderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschilderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschilderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschilderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschilderen af zou(dt) schilderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschilderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschilderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschilderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschilderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschilderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschilderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschilderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschilderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschilderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeschilderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschilderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschilderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschilderen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschilderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en schilderen ww
Woordfamilie van afschilderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschilderd | voltooid deelwoord | afschilderen |
| afgeschilderde | woordvorm | afschilderen |
| afschilder | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschilderen |
| afschilderde | subordinate-clause, verleden tijd | afschilderen |
| afschilderden | subordinate-clause, verleden tijd | afschilderen |
| afschildere | with-subordinate-clause | afschilderen |
| afschilderend | onvoltooid deelwoord | afschilderen |
| afschilderende | woordvorm | afschilderen |
| afschildert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschilderen |
| schilder af | gebiedende wijs | afschilderen |
| schilderde af | verleden tijd | afschilderen |
| schilderden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afschilderen |
| schildere af | woordvorm | afschilderen |
| schilderen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschilderen |
| schildert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afschilderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschilderen zijn vastgelegd.