Naar de inhoud

afschenken

afgieten, decanteren

afschenken

werkwoord

Betekenis

  1. afgieten, decanteren

Vervoeging van afschenken

afschenkenhele werkwoord — schonk afverleden tijd enkelvoud — schonken afverleden tijd meervoud — afgeschonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schenk af schonk af
jij schenkt af schonk af
hij, zij, het schenkt af schonk af
wij schenken af schonken af
jullie schenken af schonken af
zij schenken af schonken af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te schenken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen schenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal schenken bijzin, toekomende tijd
af zou schenken bijzin, voorwaardelijk
af zouden schenken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt schenken bijzin, voorwaardelijk
af zullen schenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen schenken bijzin, toekomende tijd
af zult schenken bijzin, toekomende tijd
afgeschonken verleden tijd, deelwoord
afgeschonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeschonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afschenk bijzin, tegenwoordige tijd
afschenkend onvoltooid, deelwoord
afschenkt bijzin, tegenwoordige tijd
afschonk bijzin, verleden tijd
afschonken bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had afgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schenk af gebiedende wijs
schonk af verleden tijd
te hebben afgeschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afschenken bijzin, toekomende tijd
zou afgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afschenken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afschenken af zou(dt) schenken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afschenken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afschenken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afschenken bijzin, toekomende tijd
zult afgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afschenken bijzin, toekomende tijd
zult/zal afschenken af zult/zal schenken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af en schenken

Woordfamilie van afschenken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeschonken voltooid deelwoord afschenken
afschenk subordinate-clause, tegenwoordige tijd afschenken
afschenke with-subordinate-clause afschenken
afschenkend onvoltooid deelwoord afschenken
afschenkende woordvorm afschenken
afschenkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afschenken
afschonk subordinate-clause, verleden tijd afschenken
afschonken subordinate-clause, verleden tijd afschenken
schenk af gebiedende wijs afschenken
schenke af woordvorm afschenken
schenken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afschenken
schenkt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afschenken
schonk af verleden tijd afschenken
schonken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afschenken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschenken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afschenken

Wat is de betekenis van afschenken?
Afschenken is een werkwoord. De betekenis is: afgieten, decanteren.
Hoe vervoeg ik afschenken?
Zo vervoeg je afschenken zo: het voltooid deelwoord is afgeschonken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afschenken is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afschenken levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afschenken in het kort

afschenken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afschenken staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afschenken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afschenken: afgieten, decanteren
Deel afschenken — standaardnederlands.nl