afschenken
werkwoordBetekenis
- afgieten, decanteren
Vervoeging van afschenken
afschenkenhele werkwoord — schonk afverleden tijd enkelvoud — schonken afverleden tijd meervoud — afgeschonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schenk af | schonk af |
| jij | schenkt af | schonk af |
| hij, zij, het | schenkt af | schonk af |
| wij | schenken af | schonken af |
| jullie | schenken af | schonken af |
| zij | schenken af | schonken af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te schenken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schenken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schenken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schenken | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschonken | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschonken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschonken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschenk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschenkend | onvoltooid, deelwoord |
| afschenkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschonk | bijzin, verleden tijd |
| afschonken | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schenk af | gebiedende wijs |
| schonk af | verleden tijd |
| te hebben afgeschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschenken af zou(dt) schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afschenken af zult/zal schenken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en schenken
Woordfamilie van afschenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschonken | voltooid deelwoord | afschenken |
| afschenk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschenken |
| afschenke | with-subordinate-clause | afschenken |
| afschenkend | onvoltooid deelwoord | afschenken |
| afschenkende | woordvorm | afschenken |
| afschenkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschenken |
| afschonk | subordinate-clause, verleden tijd | afschenken |
| afschonken | subordinate-clause, verleden tijd | afschenken |
| schenk af | gebiedende wijs | afschenken |
| schenke af | woordvorm | afschenken |
| schenken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschenken |
| schenkt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afschenken |
| schonk af | verleden tijd | afschenken |
| schonken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afschenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschenken zijn vastgelegd.