afkalven
werkwoord ˈɑfkɑlvə(n)Betekenis
- geleidelijk land verliezen doordat de oever in het water verzakt
Hoe spreek je afkalven uit?
/ˈɑfkɑlvən/
Afkalven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| k | kat |
| l | land |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bevallen van een jong unergative
Vervoeging van afkalven
afkalvenhele werkwoord — kalfde afverleden tijd enkelvoud — kalfden afverleden tijd meervoud — afgekalfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kalf af | kalfde af |
| jij | kalft af | kalfde af |
| hij, zij, het | kalft af | kalfde af |
| wij | kalven af | kalfden af |
| jullie | kalven af | kalfden af |
| zij | kalven af | kalfden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te kalven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen kalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal kalven | bijzin, toekomende tijd |
| af zou kalven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden kalven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt kalven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen kalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen kalven | bijzin, toekomende tijd |
| af zult kalven | bijzin, toekomende tijd |
| afgekalfd | verleden tijd, deelwoord |
| afgekalfd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekalfd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afkalf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkalfde | bijzin, verleden tijd |
| afkalfden | bijzin, verleden tijd |
| afkalft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkalvend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgekalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgekalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgekalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgekalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgekalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgekalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgekalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgekalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekalfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgekalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgekalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgekalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kalf af | gebiedende wijs |
| kalfde af | verleden tijd |
| te hebben afgekalfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afkalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgekalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgekalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afkalven | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgekalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afkalven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afkalven af zou(dt) kalven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgekalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afkalven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgekalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afkalven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgekalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afkalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afkalven | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgekalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afkalven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afkalven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afkalven af zult/zal kalven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en kalven ww **[1] in de betekenis van ‘afbrokkelen (van aarden wanden)’ aangetroffen vanaf 1578
Woordfamilie van afkalven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgekalfd | voltooid deelwoord | afkalven |
| afgekalfde | woordvorm | afkalven |
| afkalf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkalven |
| afkalfde | subordinate-clause, verleden tijd | afkalven |
| afkalfden | subordinate-clause, verleden tijd | afkalven |
| afkalft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkalven |
| afkalve | with-subordinate-clause | afkalven |
| afkalvend | onvoltooid deelwoord | afkalven |
| afkalvende | woordvorm | afkalven |
| kalf af | gebiedende wijs | afkalven |
| kalfde af | verleden tijd | afkalven |
| kalfden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afkalven |
| kalft af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afkalven |
| kalve af | woordvorm | afkalven |
| kalven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afkalven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkalven zijn vastgelegd.