affix
zelfstandig naamwoord ɑˈfɪksBetekenis
- een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt vastgehecht om zo een nieuw woord te vormen
Hoe spreek je affix uit?
/ɑˈfɪks/
Affix bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| affixen | meervoud |
| affixje | verkleinwoord, enkelvoud |
| affixjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘toevoegsel’ voor het eerst aangetroffen in 1911
Woordfamilie van affix
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| affixen | meervoud | affix |
| affixje | verkleinwoord | affix |
| affixjes | verkleinwoord meervoud | affix |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van affix zijn vastgelegd.