Naar de inhoud

affirmeren

bevestigen, bekrachtigen

affirmeren

werkwoord

Betekenis

  1. bevestigen, bekrachtigen

Vervoeging van affirmeren

affirmerenhele werkwoord — affirmeerdeverleden tijd enkelvoud — affirmeerdenverleden tijd meervoud — geaffirmeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik affirmeer affirmeerde
jij affirmeert affirmeerde
hij, zij, het affirmeert affirmeerde
wij affirmeren affirmeerden
jullie affirmeren affirmeerden
zij affirmeren affirmeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
affirmeer gebiedende wijs
affirmeerde verleden tijd
affirmere aanvoegende wijs
affirmerend onvoltooid, deelwoord
ben geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geaffirmeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geaffirmeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geaffirmeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geaffirmeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geaffirmeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geaffirmeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geaffirmeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geaffirmeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geaffirmeerd verleden tijd, deelwoord
geaffirmeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geaffirmeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geaffirmeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaffirmeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaffirmeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaffirmeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geaffirmeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geaffirmeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geaffirmeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geaffirmeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geaffirmeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te affirmeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geaffirmeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen affirmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geaffirmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geaffirmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geaffirmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaffirmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geaffirmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geaffirmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaffirmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geaffirmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geaffirmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaffirmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaffirmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaffirmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaffirmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaffirmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geaffirmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geaffirmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geaffirmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geaffirmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geaffirmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geaffirmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geaffirmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geaffirmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen affirmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geaffirmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geaffirmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geaffirmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geaffirmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geaffirmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geaffirmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult affirmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geaffirmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geaffirmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geaffirmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevestigen’ voor het eerst aangetroffen in 1353

Woordfamilie van affirmeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
affirmeer gebiedende wijs affirmeren
affirmeerde verleden tijd affirmeren
affirmeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon affirmeren
affirmeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon affirmeren
affirmere aanvoegende wijs affirmeren
affirmerend onvoltooid deelwoord affirmeren
affirmerende woordvorm affirmeren
geaffirmeerd voltooid deelwoord affirmeren
geaffirmeerde woordvorm affirmeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van affirmeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over affirmeren

Wat is de betekenis van affirmeren?
Affirmeren is een werkwoord. De betekenis is: bevestigen, bekrachtigen.
Hoe vervoeg ik affirmeren?
Zo vervoeg je affirmeren zo: de tegenwoordige tijd is affirmeer, de verleden tijd is affirmeerde en het voltooid deelwoord is geaffirmeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord affirmeren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. F 4
  4. I 1
  5. R 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

affirmeren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. F 4
  4. I 2
  5. R 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

affirmeren in het kort

affirmeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van affirmeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort affirmeren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

affirmeren: bevestigen, bekrachtigen
Deel affirmeren — standaardnederlands.nl