Naar de inhoud

afbreken

met de grond gelijk maken

afbreken

werkwoord ˈɑvbrekə(n)

Betekenis

  1. met de grond gelijk maken
  2. voortijdig beëindigen
  3. door breken scheiden
  4. daalriten, daalrieten

Hoe spreek je afbreken uit?

/ˈɑvbrekən/

Afbreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑvbrekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
v vis
b bak
r rood
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. ergens vanaf breken, afknappen intransitive

Vervoeging van afbreken

afbrekenhele werkwoord — brak afverleden tijd enkelvoud — braken afverleden tijd meervoud — afgebrokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breek af brak af
jij breekt af braakt af
hij, zij, het breekt af brak af
wij breken af braken af
jullie breken af braken af
zij breken af braken af
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te breken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal breken bijzin, toekomende tijd
af zou breken bijzin, voorwaardelijk
af zouden breken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt breken bijzin, voorwaardelijk
af zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen breken bijzin, toekomende tijd
af zult breken bijzin, toekomende tijd
afbraakt bijzin, verleden tijd
afbrak bijzin, verleden tijd
afbraken bijzin, verleden tijd
afbreek bijzin, tegenwoordige tijd
afbreekt bijzin, tegenwoordige tijd
afbrekend onvoltooid, deelwoord
afgebroken verleden tijd, deelwoord
afgebroken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebroken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebroken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebroken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebroken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebroken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebroken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebroken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebroken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebroken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brak af verleden tijd
breek af gebiedende wijs
er is afgebroken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgebroken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgebroken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgebroken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgebroken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgebroken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgebroken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgebroken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afbreken bijzin, toekomende tijd
zal afgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afbreken bijzin, voorwaardelijk
zou afgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afbreken af zou(dt) breken bijzin, voorwaardelijk
zouden afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afbreken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afbreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afbreken bijzin, toekomende tijd
zullen afgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en breken ww

Woordfamilie van afbreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbrak subordinate-clause, verleden tijd afbreken
afbraken subordinate-clause, verleden tijd afbreken
afbreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbreken
afbreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbreken
afbreke with-subordinate-clause afbreken
afbrekend onvoltooid deelwoord afbreken
afbrekende woordvorm afbreken
afgebroken voltooid deelwoord afbreken
brak af verleden tijd afbreken
braken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afbreken
breek af gebiedende wijs afbreken
breekt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afbreken
breke af woordvorm afbreken
breken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afbreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbreken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afbreken

Hoe spreek ik afbreken uit?
Zo spreek je afbreken uit: /ˈɑvbrekə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afbreken?
Afbreken is een werkwoord. De betekenis is: met de grond gelijk maken. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afbreken?
Zo vervoeg je afbreken zo: het voltooid deelwoord is afgebroken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afbreken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afbreken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afbreken in het kort

afbreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afbreken staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afbreken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afbreken: met de grond gelijk maken
Deel afbreken — standaardnederlands.nl