afbreken
werkwoord ˈɑvbrekə(n)Betekenis
- met de grond gelijk maken
- voortijdig beëindigen
- door breken scheiden
- daalriten, daalrieten
Hoe spreek je afbreken uit?
/ˈɑvbrekən/
Afbreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| b | bak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ergens vanaf breken, afknappen intransitive
Vervoeging van afbreken
afbrekenhele werkwoord — brak afverleden tijd enkelvoud — braken afverleden tijd meervoud — afgebrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breek af | brak af |
| jij | breekt af | braakt af |
| hij, zij, het | breekt af | brak af |
| wij | breken af | braken af |
| jullie | breken af | braken af |
| zij | breken af | braken af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te breken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal breken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou breken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden breken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt breken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen breken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult breken | bijzin, toekomende tijd |
| afbraakt | bijzin, verleden tijd |
| afbrak | bijzin, verleden tijd |
| afbraken | bijzin, verleden tijd |
| afbreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| afgebroken | verleden tijd, deelwoord |
| afgebroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgebroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgebroken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgebroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgebroken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgebroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgebroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brak af | verleden tijd |
| breek af | gebiedende wijs |
| er is afgebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgebroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgebroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgebroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgebroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgebroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgebroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afbreken af zou(dt) breken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en breken ww
Woordfamilie van afbreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afbrak | subordinate-clause, verleden tijd | afbreken |
| afbraken | subordinate-clause, verleden tijd | afbreken |
| afbreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbreken |
| afbreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbreken |
| afbreke | with-subordinate-clause | afbreken |
| afbrekend | onvoltooid deelwoord | afbreken |
| afbrekende | woordvorm | afbreken |
| afgebroken | voltooid deelwoord | afbreken |
| brak af | verleden tijd | afbreken |
| braken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afbreken |
| breek af | gebiedende wijs | afbreken |
| breekt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afbreken |
| breke af | woordvorm | afbreken |
| breken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afbreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbreken zijn vastgelegd.