absolveren
werkwoord /ɑpsɔl'verə/Betekenis
- (rooms-katholicisme) zonden vergeven
- (van tentamens) vrijstelling verlenen
Hoe spreek je absolveren uit?
/ɑpsɔlˈverə/
Absolveren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| p | pak |
| s | sok |
| ɔ | bot |
| l | land |
| v | vis |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- zonden vergeven transitive
- vrijstelling verlenen transitive
Vervoeging van absolveren
absolverenhele werkwoord — absolveerdeverleden tijd enkelvoud — absolveerdenverleden tijd meervoud — geabsolveerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | absolveer | absolveerde |
| jij | absolveert | absolveerde |
| hij, zij, het | absolveert | absolveerde |
| wij | absolveren | absolveerden |
| jullie | absolveren | absolveerden |
| zij | absolveren | absolveerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| absolveer | gebiedende wijs |
| absolveerde | verleden tijd |
| absolvere | aanvoegende wijs |
| absolverend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geabsolveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geabsolveerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geabsolveerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geabsolveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geabsolveerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geabsolveerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geabsolveerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geabsolveerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geabsolveerd | verleden tijd, deelwoord |
| geabsolveerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geabsolveerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geabsolveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geabsolveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geabsolveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geabsolveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geabsolveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geabsolveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geabsolveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geabsolveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geabsolveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geabsolveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geabsolveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geabsolveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geabsolveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geabsolveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geabsolveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te absolveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geabsolveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen absolveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geabsolveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geabsolveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geabsolveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geabsolveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geabsolveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geabsolveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geabsolveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geabsolveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geabsolveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geabsolveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen absolveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geabsolveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geabsolveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geabsolveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult absolveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geabsolveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kwijtschelden’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van absolveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| absolveer | gebiedende wijs | absolveren |
| absolveerde | verleden tijd | absolveren |
| absolveerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | absolveren |
| absolveert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | absolveren |
| absolvere | aanvoegende wijs | absolveren |
| absolverend | onvoltooid deelwoord | absolveren |
| absolverende | woordvorm | absolveren |
| geabsolveerd | voltooid deelwoord | absolveren |
| geabsolveerde | woordvorm | absolveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van absolveren zijn vastgelegd.