Naar de inhoud

aanwenden

gebruikmaken van

aanwenden

werkwoord ˈaɱwɛndə(n)

Betekenis

  1. gebruikmaken van

Hoe spreek je aanwenden uit?

/ˈamwɛndən/

Aanwenden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈamwɛndən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
w quiz
ɛ bed
n nek
d dak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als aanwendden.

Vervoeging van aanwenden

aanwendenhele werkwoord — wendde aanverleden tijd enkelvoud — wendden aanverleden tijd meervoud — aangewendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wend aan wendde aan
jij wendt aan wendde aan
hij, zij, het wendt aan wendde aan
wij wenden aan wendden aan
jullie wenden aan wendden aan
zij wenden aan wendden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te wenden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal wenden bijzin, toekomende tijd
aan zou wenden bijzin, voorwaardelijk
aan zouden wenden bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt wenden bijzin, voorwaardelijk
aan zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen wenden bijzin, toekomende tijd
aan zult wenden bijzin, toekomende tijd
aangewend verleden tijd, deelwoord
aangewend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangewend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangewend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangewend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangewend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangewend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangewend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangewend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangewend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangewend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanwend bijzin, tegenwoordige tijd
aanwendde bijzin, verleden tijd
aanwendden bijzin, verleden tijd
aanwendend onvoltooid, deelwoord
aanwendt bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangewend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangewend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangewend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangewend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangewend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangewend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanwenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
wend aan gebiedende wijs
wendde aan verleden tijd
werd aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanwenden bijzin, toekomende tijd
zijn aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanwenden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanwenden aan zou(dt) wenden bijzin, voorwaardelijk
zouden aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanwenden bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanwenden bijzin, voorwaardelijk
zullen aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanwenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanwenden bijzin, toekomende tijd
zult aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van aanwennen

Vervoeging van aanwenden

aanwendenhele werkwoord — wendde aanverleden tijd enkelvoud — wendden aanverleden tijd meervoud — aangewendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wend aan wendde aan
jij wendt aan wendde aan
hij, zij, het wendt aan wendde aan
wij wenden aan wendden aan
jullie wenden aan wendden aan
zij wenden aan wendden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te wenden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal wenden bijzin, toekomende tijd
aan zou wenden bijzin, voorwaardelijk
aan zouden wenden bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt wenden bijzin, voorwaardelijk
aan zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen wenden bijzin, toekomende tijd
aan zult wenden bijzin, toekomende tijd
aangewend verleden tijd, deelwoord
aangewend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangewend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangewend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangewend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangewend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangewend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangewend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangewend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangewend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangewend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanwend bijzin, tegenwoordige tijd
aanwendde bijzin, verleden tijd
aanwendden bijzin, verleden tijd
aanwendend onvoltooid, deelwoord
aanwendt bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangewend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangewend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangewend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangewend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangewend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangewend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanwenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
wend aan gebiedende wijs
wendde aan verleden tijd
werd aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanwenden bijzin, toekomende tijd
zijn aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanwenden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanwenden aan zou(dt) wenden bijzin, voorwaardelijk
zouden aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanwenden bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanwenden bijzin, voorwaardelijk
zullen aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanwenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanwenden bijzin, toekomende tijd
zult aangewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan en wenden

Woordfamilie van aanwenden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aanwend subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanwenden
aanwendde subordinate-clause, verleden tijd aanwenden
aanwendden subordinate-clause, verleden tijd aanwenden
aanwendend onvoltooid deelwoord aanwenden
aanwendende woordvorm aanwenden
aanwendt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanwenden
wend aan gebiedende wijs aanwenden
wendde aan verleden tijd aanwenden
wendden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanwenden
wendt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanwenden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanwenden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over aanwenden

Hoe spreek ik aanwenden uit?
Zo spreek je aanwenden uit: /ˈaɱwɛndə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanwenden?
Aanwenden is een werkwoord. De betekenis is: gebruikmaken van.
Hoe vervoeg ik aanwenden?
Zo vervoeg je aanwenden zo: het voltooid deelwoord is aangewend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanwenden is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanwenden levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanwenden in het kort

aanwenden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanwenden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanwenden bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanwenden: gebruikmaken van
Deel aanwenden — standaardnederlands.nl