aanwenden
werkwoord ˈaɱwɛndə(n)Betekenis
- gebruikmaken van
Hoe spreek je aanwenden uit?
/ˈamwɛndən/
Aanwenden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanwendden.
Vervoeging van aanwenden
aanwendenhele werkwoord — wendde aanverleden tijd enkelvoud — wendden aanverleden tijd meervoud — aangewendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wend aan | wendde aan |
| jij | wendt aan | wendde aan |
| hij, zij, het | wendt aan | wendde aan |
| wij | wenden aan | wendden aan |
| jullie | wenden aan | wendden aan |
| zij | wenden aan | wendden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te wenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal wenden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen wenden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult wenden | bijzin, toekomende tijd |
| aangewend | verleden tijd, deelwoord |
| aangewend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangewend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangewend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangewend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangewend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangewend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangewend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanwend | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwendde | bijzin, verleden tijd |
| aanwendden | bijzin, verleden tijd |
| aanwendend | onvoltooid, deelwoord |
| aanwendt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangewend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangewend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangewend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangewend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangewend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangewend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanwenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wend aan | gebiedende wijs |
| wendde aan | verleden tijd |
| werd aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanwenden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanwenden aan zou(dt) wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanwenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanwenden | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van aanwennen
Vervoeging van aanwenden
aanwendenhele werkwoord — wendde aanverleden tijd enkelvoud — wendden aanverleden tijd meervoud — aangewendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wend aan | wendde aan |
| jij | wendt aan | wendde aan |
| hij, zij, het | wendt aan | wendde aan |
| wij | wenden aan | wendden aan |
| jullie | wenden aan | wendden aan |
| zij | wenden aan | wendden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te wenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal wenden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen wenden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult wenden | bijzin, toekomende tijd |
| aangewend | verleden tijd, deelwoord |
| aangewend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangewend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangewend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangewend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangewend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangewend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangewend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanwend | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwendde | bijzin, verleden tijd |
| aanwendden | bijzin, verleden tijd |
| aanwendend | onvoltooid, deelwoord |
| aanwendt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangewend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangewend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangewend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangewend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangewend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangewend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanwenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wend aan | gebiedende wijs |
| wendde aan | verleden tijd |
| werd aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanwenden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanwenden aan zou(dt) wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanwenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanwenden | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan en wenden
Woordfamilie van aanwenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanwend | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwenden |
| aanwendde | subordinate-clause, verleden tijd | aanwenden |
| aanwendden | subordinate-clause, verleden tijd | aanwenden |
| aanwendend | onvoltooid deelwoord | aanwenden |
| aanwendende | woordvorm | aanwenden |
| aanwendt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwenden |
| wend aan | gebiedende wijs | aanwenden |
| wendde aan | verleden tijd | aanwenden |
| wendden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanwenden |
| wendt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanwenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanwenden zijn vastgelegd.