aanval
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈaɱvɑlBetekenis
- een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven en daarbij de eigen positie te verbeteren
- plotselinge, vaak kortstondige, aandoening bijv. een griepaanval, hartaanval etc.
Hoe spreek je aanval uit?
/ˈamvɑl/
Aanval bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- het plotseling en hevig komen opzetten van iets (veelal onaangenaams) in het algemeen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanvallen | meervoud |
| aanvalletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanvalletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanvallen
Vervoeging van aanval
aanvalhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van aanvallen
Woordfamilie van aanval
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanvalletje | verkleinwoord | aanval |
| aanvalletjes | verkleinwoord meervoud | aanval |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanval zijn vastgelegd.