aanvallen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈaɱvɑlə(n)Betekenis
- aangrijpen
- het initiatief nemen in het gevecht, aantasten
- op: kritiek geven op
Hoe spreek je aanvallen uit?
/ˈamvɑlən/
Aanvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ op: kritiek geven op
Vervoeging van aanvallen
aanvallenhele werkwoord — viel aanverleden tijd enkelvoud — vielen aanverleden tijd meervoud — aangevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val aan | viel aan |
| jij | valt aan | viel aan |
| hij, zij, het | valt aan | viel aan |
| wij | vallen aan | vielen aan |
| jullie | vallen aan | vielen aan |
| zij | vallen aan | vielen aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| aangevallen | verleden tijd, deelwoord |
| aangevallen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevallen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvallend | onvoltooid, deelwoord |
| aanvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanviel | bijzin, verleden tijd |
| aanvielen | bijzin, verleden tijd |
| er is aangevallen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevallen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevallen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevallen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevallen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevallen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevallen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevallen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val aan | gebiedende wijs |
| viel aan | verleden tijd |
| zal aangevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvallen aan zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanvallen aan zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanval
Herkomst
samenstelling van aan vz en vallen ww
Woordfamilie van aanvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangevallen | voltooid deelwoord | aanvallen |
| aanvalle | with-subordinate-clause | aanvallen |
| aanvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvallen |
| aanviel | subordinate-clause, verleden tijd | aanvallen |
| aanvielen | subordinate-clause, verleden tijd | aanvallen |
| val aan | gebiedende wijs | aanvallen |
| valle aan | woordvorm | aanvallen |
| vallen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanvallen |
| valt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanvallen |
| viel aan | verleden tijd | aanvallen |
| vielen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvallen zijn vastgelegd.