aanstippen
werkwoord ˈanstɪpə(n)Betekenis
- aanmerken
- terloops vermelden
- (een wonde) vluchtig met penseel of watje bewerken
Hoe spreek je aanstippen uit?
/ˈanstɪpən/
Aanstippen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- vluchtig met penseel of watje bewerken transitive
Vervoeging van aanstippen
aanstippenhele werkwoord — stipte aanverleden tijd enkelvoud — stipten aanverleden tijd meervoud — aangestiptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stip aan | stipte aan |
| jij | stipt aan | stipte aan |
| hij, zij, het | stipt aan | stipte aan |
| wij | stippen aan | stipten aan |
| jullie | stippen aan | stipten aan |
| zij | stippen aan | stipten aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te stippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen stippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal stippen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou stippen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden stippen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt stippen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen stippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen stippen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult stippen | bijzin, toekomende tijd |
| aangestipt | verleden tijd, deelwoord |
| aangestipt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangestipt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangestipt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestipt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestipt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestipt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangestipt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangestipt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangestipt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangestipt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanstip | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstippend | onvoltooid, deelwoord |
| aanstipt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstipte | bijzin, verleden tijd |
| aanstipten | bijzin, verleden tijd |
| ben aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangestipt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangestipt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangestipt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangestipt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangestipt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangestipt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangestipt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangestipt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangestipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangestipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangestipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangestipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangestipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangestipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangestipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stip aan | gebiedende wijs |
| stipte aan | verleden tijd |
| te hebben aangestipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanstippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangestipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangestipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangestipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangestipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangestipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangestipt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangestipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangestipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangestipt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestipt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanstippen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangestipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangestipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanstippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanstippen aan zou(dt) stippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangestipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangestipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanstippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangestipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangestipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanstippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangestipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangestipt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangestipt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestipt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestipt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanstippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanstippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanstippen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangestipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en stippen ww
Woordfamilie van aanstippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanstip | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstippen |
| aanstippe | with-subordinate-clause | aanstippen |
| aanstippend | onvoltooid deelwoord | aanstippen |
| aanstippende | woordvorm | aanstippen |
| aanstipt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstippen |
| aanstipte | subordinate-clause, verleden tijd | aanstippen |
| aanstipten | subordinate-clause, verleden tijd | aanstippen |
| stip aan | gebiedende wijs | aanstippen |
| stippe aan | woordvorm | aanstippen |
| stippen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanstippen |
| stipt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanstippen |
| stipte aan | verleden tijd | aanstippen |
| stipten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanstippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstippen zijn vastgelegd.