aanstiefelen
werkwoord ˈanstifələ(n)Betekenis
- met flinke tred ergens op afgaan
Hoe spreek je aanstiefelen uit?
/ˈanstifələn/
Aanstiefelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| i | riet |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanstiefelen
aanstiefelenhele werkwoord — stiefelde aanverleden tijd enkelvoud — stiefelden aanverleden tijd meervoud — aangestiefeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stiefel aan | stiefelde aan |
| jij | stiefelt aan | stiefelde aan |
| hij, zij, het | stiefelt aan | stiefelde aan |
| wij | stiefelen aan | stiefelden aan |
| jullie | stiefelen aan | stiefelden aan |
| zij | stiefelen aan | stiefelden aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te stiefelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen stiefelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal stiefelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou stiefelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden stiefelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt stiefelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen stiefelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen stiefelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult stiefelen | bijzin, toekomende tijd |
| aangestiefeld | verleden tijd, deelwoord |
| aangestiefeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestiefeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanstiefel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstiefelde | bijzin, verleden tijd |
| aanstiefelden | bijzin, verleden tijd |
| aanstiefelend | onvoltooid, deelwoord |
| aanstiefelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangestiefeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangestiefeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangestiefeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangestiefeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangestiefeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangestiefeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangestiefeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangestiefeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestiefeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangestiefeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestiefeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangestiefeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangestiefeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestiefeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestiefeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stiefel aan | gebiedende wijs |
| stiefelde aan | verleden tijd |
| te hebben aangestiefeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanstiefelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangestiefeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestiefeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangestiefeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanstiefelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangestiefeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestiefeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestiefeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanstiefelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanstiefelen aan zou(dt) stiefelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangestiefeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestiefeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestiefeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanstiefelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangestiefeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanstiefelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangestiefeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestiefeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestiefeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanstiefelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanstiefelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangestiefeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanstiefelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanstiefelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanstiefelen aan zult/zal stiefelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan en stiefelen
Woordfamilie van aanstiefelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangestiefeld | voltooid deelwoord | aanstiefelen |
| aangestiefelde | woordvorm | aanstiefelen |
| aanstiefel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstiefelen |
| aanstiefelde | subordinate-clause, verleden tijd | aanstiefelen |
| aanstiefelden | subordinate-clause, verleden tijd | aanstiefelen |
| aanstiefele | with-subordinate-clause | aanstiefelen |
| aanstiefelend | onvoltooid deelwoord | aanstiefelen |
| aanstiefelende | woordvorm | aanstiefelen |
| aanstiefelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstiefelen |
| stiefel aan | gebiedende wijs | aanstiefelen |
| stiefelde aan | verleden tijd | aanstiefelen |
| stiefelden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanstiefelen |
| stiefele aan | woordvorm | aanstiefelen |
| stiefelen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanstiefelen |
| stiefelt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanstiefelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstiefelen zijn vastgelegd.