aanstoken
werkwoord ˈanstokə(n)Betekenis
- tot kwaad aanzetten
Hoe spreek je aanstoken uit?
/ˈanstokən/
Aanstoken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| o | boot |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanstoken
aanstokenhele werkwoord — stookte aanverleden tijd enkelvoud — stookten aanverleden tijd meervoud — aangestooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stook aan | stookte aan |
| jij | stookt aan | stookte aan |
| hij, zij, het | stookt aan | stookte aan |
| wij | stoken aan | stookten aan |
| jullie | stoken aan | stookten aan |
| zij | stoken aan | stookten aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te stoken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen stoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal stoken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou stoken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden stoken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt stoken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen stoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen stoken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult stoken | bijzin, toekomende tijd |
| aangestookt | verleden tijd, deelwoord |
| aangestookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanstokend | onvoltooid, deelwoord |
| aanstook | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstookt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstookte | bijzin, verleden tijd |
| aanstookten | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangestookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangestookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangestookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangestookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangestookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangestookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangestookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stook aan | gebiedende wijs |
| stookte aan | verleden tijd |
| te hebben aangestookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanstoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanstoken | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanstoken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanstoken aan zou(dt) stoken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanstoken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanstoken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanstoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanstoken | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanstoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanstoken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanstoken aan zult/zal stoken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en stoken ww
Woordfamilie van aanstoken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangestookt | voltooid deelwoord | aanstoken |
| aangestookte | woordvorm | aanstoken |
| aanstoke | with-subordinate-clause | aanstoken |
| aanstokend | onvoltooid deelwoord | aanstoken |
| aanstokende | woordvorm | aanstoken |
| aanstook | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstoken |
| aanstookt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstoken |
| aanstookte | subordinate-clause, verleden tijd | aanstoken |
| aanstookten | subordinate-clause, verleden tijd | aanstoken |
| stoke aan | woordvorm | aanstoken |
| stoken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanstoken |
| stook aan | gebiedende wijs | aanstoken |
| stookt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanstoken |
| stookte aan | verleden tijd | aanstoken |
| stookten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanstoken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstoken zijn vastgelegd.