aanstellen
werkwoord ˈanstɛlə(n)Betekenis
- iemand ~ tot: benoemen
- zich ~: zich overdreven gedragen, onecht doen
Hoe spreek je aanstellen uit?
/ˈanstɛlən/
Aanstellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanstellen
aanstellenhele werkwoord — stelde aanverleden tijd enkelvoud — stelden aanverleden tijd meervoud — aangesteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stel aan | stelde aan |
| jij | stelt aan | stelde aan |
| hij, zij, het | stelt aan | stelde aan |
| wij | stellen aan | stelden aan |
| jullie | stellen aan | stelden aan |
| zij | stellen aan | stelden aan |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te stellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal stellen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen stellen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult stellen | bijzin, toekomende tijd |
| aangesteld | verleden tijd, deelwoord |
| aangesteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangesteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangesteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangesteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangesteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangesteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangesteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanstel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstelde | bijzin, verleden tijd |
| aanstelden | bijzin, verleden tijd |
| aanstellend | onvoltooid, deelwoord |
| aanstelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangesteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangesteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangesteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangesteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangesteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangesteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stel aan | gebiedende wijs |
| stel u/je aan, stelt je aan | gebiedende wijs |
| stelde aan | verleden tijd |
| te hebben aangesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanstellen | bijzin, toekomende tijd |
| zal me aanstellen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich aanstellen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je aanstellen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich aangesteld hebben | verleden tijd |
| zich aanstellend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanstellen aan zou(dt) stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van aan en stellen
Woordfamilie van aanstellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanstel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstellen |
| aanstelde | subordinate-clause, verleden tijd | aanstellen |
| aanstelden | subordinate-clause, verleden tijd | aanstellen |
| aanstelle | with-subordinate-clause | aanstellen |
| aanstellend | onvoltooid deelwoord | aanstellen |
| aanstellende | woordvorm | aanstellen |
| aanstelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstellen |
| stel aan | gebiedende wijs | aanstellen |
| stelde aan | verleden tijd | aanstellen |
| stelden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanstellen |
| stelle aan | woordvorm | aanstellen |
| stellen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanstellen |
| stelt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanstellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstellen zijn vastgelegd.