aansteker
zelfstandig naamwoord ˈanstekərBetekenis
- apparaatje om vuur te maken
- brandstichter
aansteker in een zin
- Ik zoek een aansteker om de kaarsen aan te steken.
- Zijn aansteker was leeg, dus vroeg hij om lucifers.
- Op tafel lag een aansteker naast het pakje shag.
Hoe spreek je aansteker uit?
/ˈanstekər/
Aansteker bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanstekers | meervoud |
| aanstekertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanstekertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van aansteken met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van aansteker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanstekers | meervoud | aansteker |
| aanstekertje | verkleinwoord | aansteker |
| aanstekertjes | verkleinwoord meervoud | aansteker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aansteker zijn vastgelegd.