Naar de inhoud

aanspelen

bij voetballen of een ander spel naar een medespeler spelen

aanspelen

werkwoord ˈanspelə(n)

Betekenis

  1. bij voetballen of een ander spel naar een medespeler spelen

Hoe spreek je aanspelen uit?

/ˈanspelən/

Aanspelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanspelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
s sok
p pak
e veel
l land
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanspelen

aanspelenhele werkwoord — speelde aanverleden tijd enkelvoud — speelden aanverleden tijd meervoud — aangespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel aan speelde aan
jij speelt aan speelde aan
hij, zij, het speelt aan speelde aan
wij spelen aan speelden aan
jullie spelen aan speelden aan
zij spelen aan speelden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal spelen bijzin, toekomende tijd
aan zou spelen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen spelen bijzin, toekomende tijd
aan zult spelen bijzin, toekomende tijd
aangespeeld verleden tijd, deelwoord
aangespeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangespeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangespeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangespeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangespeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangespeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangespeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangespeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanspeel bijzin, tegenwoordige tijd
aanspeelde bijzin, verleden tijd
aanspeelden bijzin, verleden tijd
aanspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
aanspelend onvoltooid, deelwoord
ben aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speel aan gebiedende wijs
speelde aan verleden tijd
te hebben aangespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanspelen bijzin, toekomende tijd
zijn aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanspelen aan zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanspelen bijzin, toekomende tijd
zult aangespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan en spelen ww

Woordfamilie van aanspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangespeeld voltooid deelwoord aanspelen
aangespeelde woordvorm aanspelen
aanspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanspelen
aanspeelde subordinate-clause, verleden tijd aanspelen
aanspeelden subordinate-clause, verleden tijd aanspelen
aanspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanspelen
aanspele with-subordinate-clause aanspelen
aanspelend onvoltooid deelwoord aanspelen
aanspelende woordvorm aanspelen
speel aan gebiedende wijs aanspelen
speelde aan verleden tijd aanspelen
speelden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanspelen
speelt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanspelen
spele aan woordvorm aanspelen
spelen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanspelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aanspelen

Hoe spreek je aanspelen uit?
De uitspraak van aanspelen is: /ˈanspelə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanspelen?
Aanspelen is een werkwoord. Het woord betekent: bij voetballen of een ander spel naar een medespeler spelen.
Hoe vervoeg je aanspelen?
Je vervoegt aanspelen als volgt: het voltooid deelwoord is aangespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanspelen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. P 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanspelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. P 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanspelen in het kort

aanspelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanspelen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanspelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanspelen: bij voetballen of een ander spel naar een medespeler spelen
Deel aanspelen — standaardnederlands.nl