Naar de inhoud

aanschikken

aan tafel plaatsnemen

aanschikken

werkwoord ˈansxɪkə(n)

Betekenis

  1. aan tafel plaatsnemen
  2. dichter bij elkaar gaan zitten

Hoe spreek je aanschikken uit?

/ˈansxɪkən/

Aanschikken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈansxɪkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
s sok
x acht
ɪ pit
k kat
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanschikken

aanschikkenhele werkwoord — schikte aanverleden tijd enkelvoud — schikten aanverleden tijd meervoud — aangeschiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schik aan schikte aan
jij schikt aan schikte aan
hij, zij, het schikt aan schikte aan
wij schikken aan schikten aan
jullie schikken aan schikten aan
zij schikken aan schikten aan
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te schikken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen schikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal schikken bijzin, toekomende tijd
aan zou schikken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden schikken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt schikken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen schikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen schikken bijzin, toekomende tijd
aan zult schikken bijzin, toekomende tijd
aangeschikt verleden tijd, deelwoord
aangeschikt te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeschikt zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanschik bijzin, tegenwoordige tijd
aanschikkend onvoltooid, deelwoord
aanschikt bijzin, tegenwoordige tijd
aanschikte bijzin, verleden tijd
aanschikten bijzin, verleden tijd
ben aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schik aan gebiedende wijs
schikte aan verleden tijd
te zijn aangeschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanschikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangeschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangeschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangeschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangeschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangeschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal aangeschikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeschikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeschikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanschikken bijzin, toekomende tijd
zijn aangeschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangeschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanschikken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanschikken aan zou(dt) schikken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanschikken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanschikken bijzin, voorwaardelijk
zullen aangeschikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeschikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeschikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanschikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanschikken bijzin, toekomende tijd
zult aangeschikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanschikken bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanschikken aan zult/zal schikken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan vz en schikken ww

Woordfamilie van aanschikken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangeschikt voltooid deelwoord aanschikken
aangeschikte woordvorm aanschikken
aanschik subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanschikken
aanschikke with-subordinate-clause aanschikken
aanschikkend onvoltooid deelwoord aanschikken
aanschikkende woordvorm aanschikken
aanschikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanschikken
aanschikte subordinate-clause, verleden tijd aanschikken
aanschikten subordinate-clause, verleden tijd aanschikken
schik aan gebiedende wijs aanschikken
schikke aan woordvorm aanschikken
schikken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanschikken
schikt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanschikken
schikte aan verleden tijd aanschikken
schikten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanschikken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanschikken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanschikken

Hoe spreek ik aanschikken uit?
Zo spreek je aanschikken uit: /ˈansxɪkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanschikken?
Aanschikken is een werkwoord. De betekenis is: aan tafel plaatsnemen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanschikken?
Zo vervoeg je aanschikken zo: het voltooid deelwoord is aangeschikt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanschikken is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 1
  8. K 3
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanschikken levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 2
  8. K 3
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanschikken in het kort

aanschikken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanschikken staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanschikken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanschikken: aan tafel plaatsnemen
Deel aanschikken — standaardnederlands.nl