Naar de inhoud

aanschoppen

-tegen: kritiek leveren op

aanschoppen

werkwoord ˈansxɔpə(n)

Betekenis

  1. -tegen: kritiek leveren op

Hoe spreek je aanschoppen uit?

/ˈansxɔpən/

Aanschoppen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈansxɔpən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
s sok
x acht
ɔ bot
p pak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanschoppen

aanschoppenhele werkwoord — schopte aanverleden tijd enkelvoud — schopten aanverleden tijd meervoud — aangeschoptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schop aan schopte aan
jij schopt aan schopte aan
hij, zij, het schopt aan schopte aan
wij schoppen aan schopten aan
jullie schoppen aan schopten aan
zij schoppen aan schopten aan
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te schoppen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen schoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal schoppen bijzin, toekomende tijd
aan zou schoppen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden schoppen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt schoppen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen schoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen schoppen bijzin, toekomende tijd
aan zult schoppen bijzin, toekomende tijd
aangeschopt verleden tijd, deelwoord
aangeschopt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeschopt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanschop bijzin, tegenwoordige tijd
aanschoppend onvoltooid, deelwoord
aanschopt bijzin, tegenwoordige tijd
aanschopte bijzin, verleden tijd
aanschopten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had aangeschopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangeschopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangeschopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangeschopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeschopt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schop aan gebiedende wijs
schopte aan verleden tijd
te hebben aangeschopt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanschoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanschoppen bijzin, toekomende tijd
zou aangeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanschoppen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanschoppen aan zou(dt) schoppen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanschoppen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanschoppen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanschoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanschoppen bijzin, toekomende tijd
zult aangeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanschoppen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanschoppen aan zult/zal schoppen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan vz en schoppen ww

Woordfamilie van aanschoppen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangeschopt voltooid deelwoord aanschoppen
aangeschopte woordvorm aanschoppen
aanschop subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanschoppen
aanschoppe with-subordinate-clause aanschoppen
aanschoppend onvoltooid deelwoord aanschoppen
aanschoppende woordvorm aanschoppen
aanschopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanschoppen
aanschopte subordinate-clause, verleden tijd aanschoppen
aanschopten subordinate-clause, verleden tijd aanschoppen
schop aan gebiedende wijs aanschoppen
schoppe aan woordvorm aanschoppen
schoppen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanschoppen
schopt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanschoppen
schopte aan verleden tijd aanschoppen
schopten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanschoppen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanschoppen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanschoppen

Hoe spreek je aanschoppen uit?
De uitspraak van aanschoppen is: /ˈansxɔpə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanschoppen?
Aanschoppen is een werkwoord. Het woord betekent: -tegen: kritiek leveren op.
Hoe vervoeg je aanschoppen?
Je vervoegt aanschoppen als volgt: het voltooid deelwoord is aangeschopt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanschoppen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. O 1
  8. P 3
  9. P 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanschoppen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. O 1
  8. P 4
  9. P 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanschoppen in het kort

aanschoppen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanschoppen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanschoppen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanschoppen: -tegen: kritiek leveren op
Deel aanschoppen — standaardnederlands.nl