aanrijden
werkwoord ˈanrɛidə(n)Betekenis
- rijdend aankomen
- tegen iets rijden, een botsing veroorzaken
Hoe spreek je aanrijden uit?
/ˈanrɛidən/
Aanrijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- rijdend aankomen (m.n. in een auto)
- aankomen ww [1], arriveren intransitive
- vertrekken ww, weggaan intransitive
Vervoeging van aanrijden
aanrijdenhele werkwoord — reed aanverleden tijd enkelvoud — reden aanverleden tijd meervoud — aangeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij aan | reed aan |
| jij | rijdt aan | reed aan |
| hij, zij, het | rijdt aan | reed aan |
| wij | rijden aan | reden aan |
| jullie | rijden aan | reden aan |
| zij | rijden aan | reden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| aangereden | verleden tijd, deelwoord |
| aangereden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangereden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangereden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangereden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangereden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangereden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangereden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangereden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanreden | bijzin, verleden tijd |
| aanreed | bijzin, verleden tijd |
| aanrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| aanrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. rij aan/ rijd aan | gebiedende wijs |
| had aangereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed aan | verleden tijd |
| te hebben aangereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanrijden aan zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en rijden ww
Woordfamilie van aanrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangereden | voltooid deelwoord | aanrijden |
| aanreden | subordinate-clause, verleden tijd | aanrijden |
| aanreed | subordinate-clause, verleden tijd | aanrijden |
| aanrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanrijden |
| aanrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanrijden |
| aanrijde | with-subordinate-clause | aanrijden |
| aanrijdend | onvoltooid deelwoord | aanrijden |
| aanrijdende | woordvorm | aanrijden |
| aanrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanrijden |
| reden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanrijden |
| reed aan | verleden tijd | aanrijden |
| rij aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | aanrijden |
| rijd aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | aanrijden |
| rijde aan | woordvorm | aanrijden |
| rijden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanrijden |
| rijdt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanrijden zijn vastgelegd.