Naar de inhoud

aanrichten

veroorzaken, met name van schade

aanrichten

werkwoord ˈanrɪxtə(n)

Betekenis

  1. veroorzaken, met name van schade

Hoe spreek je aanrichten uit?

/ˈanrɪxtən/

Aanrichten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanrɪxtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
r rood
ɪ pit
x acht
t tak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als aanrichtten.

Vervoeging van aanrichten

aanrichtenhele werkwoord — richtte aanverleden tijd enkelvoud — richtten aanverleden tijd meervoud — aangerichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik richt aan richtte aan
jij richt aan richtte aan
hij, zij, het richt aan richtte aan
wij richten aan richtten aan
jullie richten aan richtten aan
zij richten aan richtten aan
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te richten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal richten bijzin, toekomende tijd
aan zou richten bijzin, voorwaardelijk
aan zouden richten bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt richten bijzin, voorwaardelijk
aan zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen richten bijzin, toekomende tijd
aan zult richten bijzin, toekomende tijd
aangericht verleden tijd, deelwoord
aangericht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangericht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangericht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangericht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangericht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangericht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangericht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangericht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangericht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangericht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanricht bijzin, tegenwoordige tijd
aanrichtend onvoltooid, deelwoord
aanrichtte bijzin, verleden tijd
aanrichtten bijzin, verleden tijd
ben aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangericht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangericht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangericht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangericht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangericht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangericht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
richt aan gebiedende wijs
richtte aan verleden tijd
te hebben aangericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanrichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanrichten bijzin, toekomende tijd
zijn aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanrichten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanrichten aan zou(dt) richten bijzin, voorwaardelijk
zouden aangericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanrichten bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanrichten bijzin, voorwaardelijk
zullen aangericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangericht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanrichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanrichten bijzin, toekomende tijd
zult aangericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aangericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘veroorzaken’ voor het eerst aangetroffen in 1597

Woordfamilie van aanrichten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aanricht subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanrichten
aanrichte with-subordinate-clause aanrichten
aanrichtend onvoltooid deelwoord aanrichten
aanrichtende woordvorm aanrichten
aanrichtte subordinate-clause, verleden tijd aanrichten
aanrichtten subordinate-clause, verleden tijd aanrichten
richt aan gebiedende wijs aanrichten
richte aan woordvorm aanrichten
richten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanrichten
richtte aan verleden tijd aanrichten
richtten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanrichten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanrichten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanrichten

Hoe spreek je aanrichten uit?
De uitspraak van aanrichten is: /ˈanrɪxtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanrichten?
Aanrichten is een werkwoord. Het woord betekent: veroorzaken, met name van schade.
Hoe vervoeg je aanrichten?
Je vervoegt aanrichten als volgt: het voltooid deelwoord is aangericht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanrichten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. I 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanrichten levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. I 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanrichten in het kort

aanrichten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanrichten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanrichten bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanrichten: veroorzaken, met name van schade
Deel aanrichten — standaardnederlands.nl