aanpraten
werkwoord ˈampratə(n)Betekenis
- doorpraten
- overhalen tot een bepaalde zienswijze
- iemand (iets) op de mouw spelden
Hoe spreek je aanpraten uit?
/ˈampratən/
Aanpraten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| p | pak |
| r | rood |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanpraatten.
Vervoeging van aanpraten
aanpratenhele werkwoord — praatte aanverleden tijd enkelvoud — praatten aanverleden tijd meervoud — aangepraatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | praat aan | praatte aan |
| jij | praat aan | praatte aan |
| hij, zij, het | praat aan | praatte aan |
| wij | praten aan | praatten aan |
| jullie | praten aan | praatten aan |
| zij | praten aan | praatten aan |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te praten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen praten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal praten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou praten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden praten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt praten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen praten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen praten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult praten | bijzin, toekomende tijd |
| aangepraat | verleden tijd, deelwoord |
| aangepraat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangepraat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangepraat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepraat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepraat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepraat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangepraat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangepraat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangepraat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangepraat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanpraat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanpraatte | bijzin, verleden tijd |
| aanpraatten | bijzin, verleden tijd |
| aanpratend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangepraat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangepraat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangepraat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangepraat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangepraat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangepraat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangepraat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangepraat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepraat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| praat aan | gebiedende wijs |
| praatte aan | verleden tijd |
| te hebben aangepraat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanpraten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanpraten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanpraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanpraten aan zou(dt) praten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanpraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanpraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanpraten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanpraten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en praten ww
Woordfamilie van aanpraten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangepraat | voltooid deelwoord | aanpraten |
| aangeprate | woordvorm | aanpraten |
| aanpraat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanpraten |
| aanpraatte | subordinate-clause, verleden tijd | aanpraten |
| aanpraatten | subordinate-clause, verleden tijd | aanpraten |
| aanprate | with-subordinate-clause | aanpraten |
| aanpratend | onvoltooid deelwoord | aanpraten |
| aanpratende | woordvorm | aanpraten |
| praat aan | gebiedende wijs | aanpraten |
| praatte aan | verleden tijd | aanpraten |
| praatten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanpraten |
| prate aan | woordvorm | aanpraten |
| praten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanpraten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanpraten zijn vastgelegd.