aanleunen
werkwoord ˈanlønə(n)Betekenis
- tegen iets leunen
Hoe spreek je aanleunen uit?
/ˈanlønən/
Aanleunen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| l | land |
| ø | deur |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanleunen
aanleunenhele werkwoord — leunde aanverleden tijd enkelvoud — leunden aanverleden tijd meervoud — aangeleundvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leun aan | leunde aan |
| jij | leunt aan | leunde aan |
| hij, zij, het | leunt aan | leunde aan |
| wij | leunen aan | leunden aan |
| jullie | leunen aan | leunden aan |
| zij | leunen aan | leunden aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te leunen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen leunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal leunen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou leunen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden leunen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt leunen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen leunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen leunen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult leunen | bijzin, toekomende tijd |
| aangeleund | verleden tijd, deelwoord |
| aangeleund te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeleund zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanleun | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanleunde | bijzin, verleden tijd |
| aanleunden | bijzin, verleden tijd |
| aanleunend | onvoltooid, deelwoord |
| aanleunt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeleund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeleund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeleund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeleund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeleund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeleund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeleund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeleund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeleund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeleund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeleund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeleund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeleund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeleund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeleund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leun aan | gebiedende wijs |
| leunde aan | verleden tijd |
| te hebben aangeleund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanleunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangeleund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeleund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeleund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanleunen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangeleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanleunen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanleunen aan zou(dt) leunen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanleunen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanleunen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangeleund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeleund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeleund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanleunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanleunen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangeleund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanleunen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanleunen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanleunen aan zult/zal leunen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en leunen ww
Woordfamilie van aanleunen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeleund | voltooid deelwoord | aanleunen |
| aangeleunde | woordvorm | aanleunen |
| aanleun | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanleunen |
| aanleunde | subordinate-clause, verleden tijd | aanleunen |
| aanleunden | subordinate-clause, verleden tijd | aanleunen |
| aanleune | with-subordinate-clause | aanleunen |
| aanleunend | onvoltooid deelwoord | aanleunen |
| aanleunende | woordvorm | aanleunen |
| aanleunt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanleunen |
| leun aan | gebiedende wijs | aanleunen |
| leunde aan | verleden tijd | aanleunen |
| leunden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanleunen |
| leune aan | woordvorm | aanleunen |
| leunen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanleunen |
| leunt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanleunen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanleunen zijn vastgelegd.