aanleren
werkwoord ˈanlerə(n)Betekenis
- door leren een vaardigheid verwerven
- onderwijzen
Hoe spreek je aanleren uit?
/ˈanlerən/
Aanleren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| l | land |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanleren
aanlerenhele werkwoord — leerde aanverleden tijd enkelvoud — leerden aanverleden tijd meervoud — aangeleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leer aan | leerde aan |
| jij | leert aan | leerde aan |
| hij, zij, het | leert aan | leerde aan |
| wij | leren aan | leerden aan |
| jullie | leren aan | leerden aan |
| zij | leren aan | leerden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te leren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen leren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal leren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou leren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden leren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt leren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen leren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen leren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult leren | bijzin, toekomende tijd |
| aangeleerd | verleden tijd, deelwoord |
| aangeleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanleer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanleerde | bijzin, verleden tijd |
| aanleerden | bijzin, verleden tijd |
| aanleert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanlerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangeleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangeleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangeleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangeleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangeleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangeleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangeleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangeleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leer aan | gebiedende wijs |
| leerde aan | verleden tijd |
| te hebben aangeleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangeleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangeleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangeleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangeleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanleren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanleren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanleren aan zou(dt) leren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanleren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanleren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangeleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanleren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanleren | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en leren ww
Woordfamilie van aanleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanleer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanleren |
| aanleerde | subordinate-clause, verleden tijd | aanleren |
| aanleerden | subordinate-clause, verleden tijd | aanleren |
| aanleert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanleren |
| aanlere | with-subordinate-clause | aanleren |
| aanlerend | onvoltooid deelwoord | aanleren |
| aanlerende | woordvorm | aanleren |
| leer aan | gebiedende wijs | aanleren |
| leerde aan | verleden tijd | aanleren |
| leerden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanleren |
| leert aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanleren |
| lere aan | woordvorm | aanleren |
| leren aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanleren zijn vastgelegd.