Naar de inhoud

aanhoren

horen naar iemand, luisteren

aanhoren

werkwoord ˈanhorə(n)

Betekenis

  1. horen naar iemand, luisteren
  2. horen aan

Hoe spreek je aanhoren uit?

/ˈanhorən/

Aanhoren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanhorən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
h hoed
o boot
r rood
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. zich ~: moeten nemen om iets te beluisteren reflexive
  2. elkaar ~: vaak beleefdheidshalve naar elkaar luisteren reciprocal

Vervoeging van aanhoren

aanhorenhele werkwoord — hoorde aanverleden tijd enkelvoud — hoorden aanverleden tijd meervoud — aangehoordvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hoor aan hoorde aan
jij hoort aan hoorde aan
hij, zij, het hoort aan hoorde aan
wij horen aan hoorden aan
jullie horen aan hoorden aan
zij horen aan hoorden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te horen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen horen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal horen bijzin, toekomende tijd
aan zou horen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden horen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt horen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen horen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen horen bijzin, toekomende tijd
aan zult horen bijzin, toekomende tijd
aangehoord verleden tijd, deelwoord
aangehoord te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangehoord te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangehoord te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehoord te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehoord te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehoord worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangehoord zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangehoord zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangehoord zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangehoord zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanhoor bijzin, tegenwoordige tijd
aanhoorde bijzin, verleden tijd
aanhoorden bijzin, verleden tijd
aanhoort bijzin, tegenwoordige tijd
aanhorend onvoltooid, deelwoord
ben aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangehoord impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangehoord impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangehoord impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangehoord impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangehoord worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangehoord zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangehoord worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangehoord zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangehoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangehoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangehoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangehoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangehoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangehoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangehoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangehoord actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hoor aan gebiedende wijs
hoorde aan verleden tijd
is aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangehoord actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanhoren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangehoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangehoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangehoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangehoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangehoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangehoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangehoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangehoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangehoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangehoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangehoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangehoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangehoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangehoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangehoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangehoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangehoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangehoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangehoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangehoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangehoord hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehoord hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangehoord hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangehoord zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehoord zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanhoren bijzin, toekomende tijd
zijn aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangehoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangehoord hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehoord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehoord hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehoord zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehoord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehoord zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanhoren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanhoren aan zou(dt) horen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangehoord hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangehoord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangehoord hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangehoord zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangehoord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangehoord zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanhoren bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangehoord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangehoord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanhoren bijzin, voorwaardelijk
zullen aangehoord hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangehoord hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangehoord hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangehoord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangehoord zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangehoord zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangehoord zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanhoren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanhoren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanhoren bijzin, toekomende tijd
zult aangehoord hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en horen ww

Woordfamilie van aanhoren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangehoord voltooid deelwoord aanhoren
aangehoorde woordvorm aanhoren
aanhoor subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanhoren
aanhoorde subordinate-clause, verleden tijd aanhoren
aanhoorden subordinate-clause, verleden tijd aanhoren
aanhoort subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanhoren
aanhore with-subordinate-clause aanhoren
aanhorend onvoltooid deelwoord aanhoren
aanhorende woordvorm aanhoren
hoor aan gebiedende wijs aanhoren
hoorde aan verleden tijd aanhoren
hoorden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanhoren
hoort aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanhoren
hore aan woordvorm aanhoren
horen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanhoren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanhoren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aanhoren

Hoe spreek je aanhoren uit?
De uitspraak van aanhoren is: /ˈanhorə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanhoren?
Aanhoren is een werkwoord. Het woord betekent: horen naar iemand, luisteren. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aanhoren?
Je vervoegt aanhoren als volgt: het voltooid deelwoord is aangehoord. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanhoren is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. H 4
  5. O 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanhoren levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. H 4
  5. O 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanhoren in het kort

aanhoren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aanhoren zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanhoren bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanhoren: horen naar iemand, luisteren
Deel aanhoren — standaardnederlands.nl