aanhikken
werkwoord ˈanhɪkə(n)Betekenis
- (enkel in spreekwoorden)
Hoe spreek je aanhikken uit?
/ˈanhɪkən/
Aanhikken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| h | hoed |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanhikken
aanhikkenhele werkwoord — hikte aanverleden tijd enkelvoud — hikten aanverleden tijd meervoud — aangehiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hik aan | hikte aan |
| jij | hikt aan | hikte aan |
| hij, zij, het | hikt aan | hikte aan |
| wij | hikken aan | hikten aan |
| jullie | hikken aan | hikten aan |
| zij | hikken aan | hikten aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te hikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen hikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal hikken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou hikken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden hikken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt hikken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen hikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen hikken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult hikken | bijzin, toekomende tijd |
| aangehikt | verleden tijd, deelwoord |
| aangehikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangehikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanhik | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanhikkend | onvoltooid, deelwoord |
| aanhikt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanhikte | bijzin, verleden tijd |
| aanhikten | bijzin, verleden tijd |
| er is aangehikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangehikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangehikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangehikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangehikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangehikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangehikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangehikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangehikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangehikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangehikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangehikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangehikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangehikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangehikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangehikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hik aan | gebiedende wijs |
| hikte aan | verleden tijd |
| te hebben aangehikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanhikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanhikken | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanhikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanhikken aan zou(dt) hikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanhikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanhikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanhikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanhikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanhikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanhikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanhikken aan zult/zal hikken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en hikken ww
Woordfamilie van aanhikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangehikt | voltooid deelwoord | aanhikken |
| aangehikte | woordvorm | aanhikken |
| aanhik | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanhikken |
| aanhikke | with-subordinate-clause | aanhikken |
| aanhikkend | onvoltooid deelwoord | aanhikken |
| aanhikkende | woordvorm | aanhikken |
| aanhikt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanhikken |
| aanhikte | subordinate-clause, verleden tijd | aanhikken |
| aanhikten | subordinate-clause, verleden tijd | aanhikken |
| hik aan | gebiedende wijs | aanhikken |
| hikke aan | woordvorm | aanhikken |
| hikken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanhikken |
| hikt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanhikken |
| hikte aan | verleden tijd | aanhikken |
| hikten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanhikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanhikken zijn vastgelegd.