aanheffen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈanhɛfə(n)Betekenis
- beginnen
Hoe spreek je aanheffen uit?
/ˈanhɛfən/
Aanheffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanheffen
aanheffenhele werkwoord — hief aanverleden tijd enkelvoud — hieven aanverleden tijd meervoud — aangehevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hef aan | hief aan |
| jij | heft aan | hief aan |
| hij, zij, het | heft aan | hief aan |
| wij | heffen aan | hieven aan |
| jullie | heffen aan | hieven aan |
| zij | heffen aan | hieven aan |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te heffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen heffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal heffen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen heffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen heffen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult heffen | bijzin, toekomende tijd |
| aangeheven | verleden tijd, deelwoord |
| aangeheven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeheven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanhef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanheffend | onvoltooid, deelwoord |
| aanheft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanhief | bijzin, verleden tijd |
| aanhieft | bijzin, verleden tijd |
| aanhieven | bijzin, verleden tijd |
| er is aangeheven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangeheven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangeheven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangeheven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangeheven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangeheven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangeheven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangeheven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hef aan | gebiedende wijs |
| hief aan | verleden tijd |
| te hebben aangeheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanheffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanheffen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanheffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanheffen aan zou(dt) heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanheffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanheffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanheffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanheffen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanheffen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanheffen aan zult/zal heffen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanhef
Herkomst
samenstelling van aan vz en heffen ww
Woordfamilie van aanheffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeheven | voltooid deelwoord | aanheffen |
| aanheffe | with-subordinate-clause | aanheffen |
| aanheffend | onvoltooid deelwoord | aanheffen |
| aanheffende | woordvorm | aanheffen |
| aanheft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanheffen |
| aanhief | subordinate-clause, verleden tijd | aanheffen |
| aanhieven | subordinate-clause, verleden tijd | aanheffen |
| hef aan | gebiedende wijs | aanheffen |
| heffe aan | woordvorm | aanheffen |
| heffen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanheffen |
| heft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanheffen |
| hief aan | verleden tijd | aanheffen |
| hieft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanheffen |
| hieven aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanheffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanheffen zijn vastgelegd.