aanfloepen
werkwoord ˈaɱflupə(n)Betekenis
- (gezegd van licht): plotseling gaan branden
Hoe spreek je aanfloepen uit?
/ˈamflupən/
Aanfloepen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| f | fiets |
| l | land |
| u | boek |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- : plotseling gaan branden ergative
Vervoeging van aanfloepen
aanfloepenhele werkwoord — floepte aanverleden tijd enkelvoud — floepten aanverleden tijd meervoud — aangefloeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | floep aan | floepte aan |
| jij | floept aan | floepte aan |
| hij, zij, het | floept aan | floepte aan |
| wij | floepen aan | floepten aan |
| jullie | floepen aan | floepten aan |
| zij | floepen aan | floepten aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te floepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen floepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal floepen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou floepen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden floepen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt floepen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen floepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen floepen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult floepen | bijzin, toekomende tijd |
| aanfloep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanfloepend | onvoltooid, deelwoord |
| aanfloept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanfloepte | bijzin, verleden tijd |
| aanfloepten | bijzin, verleden tijd |
| aangefloept | verleden tijd, deelwoord |
| aangefloept te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangefloept zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| floep aan | gebiedende wijs |
| floepte aan | verleden tijd |
| is aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn aangefloept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanfloepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangefloept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangefloept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangefloept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangefloept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangefloept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangefloept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangefloept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanfloepen | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangefloept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangefloept zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangefloept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangefloept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangefloept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanfloepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangefloept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangefloept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangefloept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanfloepen aan zou(dt) floepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanfloepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangefloept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangefloept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangefloept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanfloepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangefloept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanfloepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanfloepen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangefloept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangefloept zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangefloept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanfloepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanfloepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangefloept zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal aanfloepen aan zult/zal floepen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan bw en floepen ww
Woordfamilie van aanfloepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanfloep | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanfloepen |
| aanfloepe | with-subordinate-clause | aanfloepen |
| aanfloepend | onvoltooid deelwoord | aanfloepen |
| aanfloepende | woordvorm | aanfloepen |
| aanfloept | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanfloepen |
| aanfloepte | subordinate-clause, verleden tijd | aanfloepen |
| aanfloepten | subordinate-clause, verleden tijd | aanfloepen |
| aangefloept | voltooid deelwoord | aanfloepen |
| aangefloepte | woordvorm | aanfloepen |
| floep aan | gebiedende wijs | aanfloepen |
| floepe aan | woordvorm | aanfloepen |
| floepen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanfloepen |
| floept aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanfloepen |
| floepte aan | verleden tijd | aanfloepen |
| floepten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanfloepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanfloepen zijn vastgelegd.