aandringen
werkwoord ˈandrɪŋə(n)Betekenis
- volhardend verzoeken, niet met een afwijzing genoegen nemen
- ~ op: tot iets over trachten te halen, aangeven dat je iets graag wilt
Hoe spreek je aandringen uit?
/ˈandrɪŋən/
Aandringen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| d | dak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aandringen
aandringenhele werkwoord — drong aanverleden tijd enkelvoud — drongen aanverleden tijd meervoud — aangedrongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dring aan | drong aan |
| jij | dringt aan | drong aan |
| hij, zij, het | dringt aan | drong aan |
| wij | dringen aan | drongen aan |
| jullie | dringen aan | drongen aan |
| zij | dringen aan | drongen aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te dringen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal dringen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen dringen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult dringen | bijzin, toekomende tijd |
| aandring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aandringend | onvoltooid, deelwoord |
| aandringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aandrong | bijzin, verleden tijd |
| aandrongen | bijzin, verleden tijd |
| aangedrongen | verleden tijd, deelwoord |
| aangedrongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangedrongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dring aan | gebiedende wijs |
| drong aan | verleden tijd |
| er is aangedrongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangedrongen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangedrongen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangedrongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangedrongen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangedrongen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangedrongen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangedrongen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aandringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aandringen | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aandringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aandringen aan zou(dt) dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aandringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aandringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aandringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aandringen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aandringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aandringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal aandringen aan zult/zal dringen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en dringen ww
Woordfamilie van aandringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aandring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aandringen |
| aandringe | with-subordinate-clause | aandringen |
| aandringend | onvoltooid deelwoord | aandringen |
| aandringende | woordvorm | aandringen |
| aandringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aandringen |
| aandrong | subordinate-clause, verleden tijd | aandringen |
| aandrongen | subordinate-clause, verleden tijd | aandringen |
| aangedrongen | voltooid deelwoord | aandringen |
| dring aan | gebiedende wijs | aandringen |
| dringe aan | woordvorm | aandringen |
| dringen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aandringen |
| dringt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aandringen |
| drong aan | verleden tijd | aandringen |
| drongen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aandringen |
| drongt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aandringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aandringen zijn vastgelegd.